“Ik wil met bemesting invloed uitoefenen op de resultaten van mijn kuilmonster”

In het Gelderse Joppe runt Erik Smale (28) met zijn ouders een melkveebedrijf met 150 koeien en 110 hectare grond. Bemesting is een belangrijk speerpunt op het bedrijf van Smale. Samen met zijn vader stippelt de jonge ondernemer elk seizoen het bemestingsplan nauwkeurig uit.

Tekst en beeld: Ellen van den Manacker
De bodemvruchtbaarheid is één van de eerste aspecten waar Smale naar kijkt in zijn bemestingsplan. “Bodemvruchtbaarheid is voor mij heel belangrijk”, geeft Erik aan. “Gras groeit niet op kunstmest of organische mest. Gras heeft een bodemleven nodig om de mest om te zetten naar voedingsstoffen voor de plant.” De bodemvruchtbaarheid van zijn percelen houdt de jonge melkveehouder nauwlettend in de gaten. “Naast bodemanalyses, ga ik ook regelmatig zelf met een schop het land in om een bodemconditiescore uit te voeren”, vertelt Erik. NUTRINORM_SLOGAN_25_FC_W

Onwetendheid

Smale ziet dat de aandacht van melkveehouders vaker gaat naar de gezondheid van de koeien, dan naar de status van het land. “Cijfers over de KringloopWijzer laten zien dat melkveehouders meer aandacht hebben voor de koeien dan voor de bodem”, vertelt Smale. “Als melkveehouders niet weten wat er van hun land afkomt, dan weten ze ook niet waar ze moeten sturen in de productie.” Met een secure bemesting kunnen veehouders resultaatgericht werken naar een optimale opbrengst. Erik: “Ik heb bij de bemesting al invloed op mijn kuilkwaliteit en daarmee dus het rantsoen.”

Drijfmest

Voor Erik is het een uitdaging om zodanig met zijn bemesting te spelen dat hij het optimale resultaat van zijn land haalt. “Ik wil mijn drijfmest maximaal benutten.” De kwaliteit van zijn drijfmest, en daarmee de voerefficiëntie, houdt de jonge ondernemer goed in de gaten door te kijken, te ruiken en te zeven. “Als het rantsoen goed verteerd is, heb ik kwalitatieve drijfmest die geschikt is voor het land. Gezonde mest op de bodem zorgt voor een mooi gewas.” Door mestmonsters weet Smale precies wat er in zijn drijfmest zit. “Op basis van de mestmonsters bereken ik per perceel hoeveel drijfmest erop moet. Daar pas ik vervolgens de kunstmestgift op aan”, aldus Erik. Op het gebied van kunstmest strooit de familie Smale kleine proporties. “Men strooit al gauw te veel kunstmest op het land”, vindt Erik. “We willen niet zoveel kunstmest gebruiken. We hebben oud grasland, laat het maar uit de bodem komen.”

Bodemtemperatuur

“Bij drijfmest is het belangrijk dat de bodemtemperatuur in het voorjaar voldoende is”, legt Erik uit. Voldoende draagkracht van de bodem en een bodemtemperatuur van minimaal acht graden bepalen het moment van bemesten bij de familie Smale. “Wij beginnen pas met bemesten medio maart.” Om niet afhankelijk te zijn van een volle mestput, heeft Smale geïnvesteerd in voldoende mestopslag. “De put mag niet bepalen wanneer wij moeten bemesten. Onze mestopslag is bijna 5.000 kuub”, aldus de melkveehouder.

Simpele tool

Naast zijn werkzaamheden op het melkveebedrijf, werkt Erik drie dagen in de week bij Boerenverstand. Voor deze organisatie zocht hij afgelopen jaar een simpele tool voor het berekenen van de bemesting na de eerste snede. Hier kwam hij onder andere de NutriNorm Bemestingsplanner tegen. “Dit is een uitgebreide en gratis tool waarmee melkveehouders per perceel een bemestingsplan kunnen maken”, vertelt Smale. De bemestingsplanner is gekoppeld aan de databank van BLGG, waardoor de bodemanalyses automatisch worden geïmporteerd. “Dat scheelt invoertijd en geeft minder kans op fouten”, legt Erik uit.

Nuttig

Het inzetten van een rekentool vindt Smale zinvol. “Het is heel nuttig om daar als jonge veehouder mee aan de slag te gaan.” Erik geeft daarbij aan dat het belangrijk is om het rekensommetje ook zelf te kunnen maken. “Een typefout is zo gemaakt. Dan kloppen de resultaten niet meer. Bij niet logische uitslagen moet er wel een lampje gaan branden”, aldus de ondernemer.