De Melkbrouwerij: ook banken veranderen

Voor mijn onderzoek spreek ik met boeren die alternatieve financieringsvormen in de praktijk hebben gebracht. Ik bundel al deze ontmoetingen in een portretserie die als basis zal dienen voor ‘best practice guidelines’ voor alternatieve financiering in de landbouw. Zo kunnen ook andere boeren en investeerders leren van deze ervaringen. In deze blog onderzoek ik of banken ook alternatieve financiering aanbieden.

Ik ben op weg naar een kleine melkveehouderij in het coulisselandschap achter Deventer, op zich niets bijzonders. Het verhaal van Arjuna en Rick Huis in ’t Veld is dat wel, al spreekt Arjuna er heel nuchter over. “We wilden terug naar de basis. Gewoon normaal doen,” vertelt de melkveehoudster.

Rick ging drie jaar geleden bij het bedrijf van zijn ouders, de Melkbrouwerij, in maatschap. Samen staan Rick en Arjuna aan het begin van hun carrière in het boerenvak. Dat is toch wel heel iets anders na jarenlang aan de kunstacademie te hebben gestudeerd. Ricks ouders vangen hun twee jonge kinderen even op zodat het stel rustig kan vertellen hoe zij financiering hebben gekregen: via een lening bij de Triodos Bank.

Rick en Arjuna leggen uit welke stappen ze ondernomen hebben voor het verkrijgen van de lening

De lening bedraagt 250.000 euro, terug te betalen in 25 jaar. Rick en Arjuna kregen rentekorting van een half procent omdat de lening via het Triodos Groenfonds moet bijdragen aan maatschappelijke doeleinden. Er blijft drie procent over die voor tien jaar is vastgezet. De lening maakt de omschakeling naar biologisch boeren mogelijk en financiert de sloop van de eerdere stal, asbestsanering, de bouw van de nieuwe hellingstal en de zonnepanelen die op het huis zijn geplaatst.

Een lening bij een bank is eigenlijk de meest gangbare financieringsvorm die je kunt kiezen. Toch heb ik ervoor gekozen deze financieringsvorm wel in mijn onderzoek op te nemen. Banken realiseren zich dat ze ingehaald worden door andere financieringsvormen en de Triodos Bank claimt te pionieren in het nieuwe bankieren. Laat de Triodos Bank zien dat ook banken zich aan het heruitvinden zijn en maatschappelijke verantwoordelijkheid willen nemen? Arjuna en Rick delen hun kijk hierop.

De hellingstal van binnen
De hellingstal van buiten

Voor de omschakeling naar biologisch moesten jullie de nieuwe stal financieren. Hoe is dat proces verlopen?

Arjuna begint te lachen. “Dat is een heel simpel verhaal, ik ben bang dat het interview zo over is”. Toch blijkt er gaandeweg nog genoeg te bespreken. Rick en Arjuna hadden zowel bij Triodos als bij de Rabobank een lening aangevraagd om de stal te financieren. De vergelijking van de twee banken levert interessante bevindingen op.

Beide banken ontvingen dezelfde informatie en beoordeelden de aanvraag. Er werd gekeken naar het doel van de investering, naar de jaarrapporten van het verleden en de bedrijfseconomische verwachtingen voor de toekomst. “We wilden niet meer koeien gaan houden en zouden niet meer melk gaan produceren in de toekomst. Eigenlijk was alles wat we deden met dat geld kostprijsverhogend,” deelt Rick eerlijk. Voor Triodos was dat geen bezwaar. Zij zagen wel wat in de plannen van Arjuna en Rick om biologisch te worden en zelf melk te gaan verzuivelen. Voor de Rabobank was dit wél een probleem. Dat dertig hectaren grond in eigendom een flink onderpand kon bieden en Eko Holland de afzet kon garanderen, trok de Rabobank niet over de streep.

Hoe Arjuna en Rick het aanvragen van de leningen hebben ervaren

Wat is het achterliggende doel van de nieuwe stal?

Rick: “De stal staat eigenlijk symbool voor de manier waarop wij willen boeren. Het maakt een natuur en diervriendelijke manier van boeren mogelijk. Nu kunnen we biologisch boeren, gehoorde koeien houden en strorijke vaste mest op ons land uitrijden. Dit laatste zorgt voor een gezonde bodem. Het bodemleven eet het stro en de mest. Zo voed je de bodem in plaats van de plant. En het bodemleven zorgt voor een goede humusopbouw, waardoor de bodem meer CO2 vasthoudt.”

Rick’s verhaal klinkt goed onderbouwd. Maar wat drijft hem echt? Nu laat Rick zich wat meer kennen: “We vinden koeien ook gewoon heel mooi. We houden misschien wel meer van de natuur dan van de landbouw. Ik maak graag een combinatie van de twee.”

Niet alle banken zijn hetzelfde

Het verbaasde me om dit over de Rabobank te horen. Uiteindelijk is dit wel dé boerenbankdie steeds meer naar duurzame landbouw streeft. Ik vroeg aan Arjuna en Rick hoe dit gesprek met de Rabobank nou precies verliep.

“Er kwam een jonge man van de Rabobank langs. We zaten aan de keukentafel met Ricks ouders. Hij zat door de jaarrapporten heen te bladeren en leverde veel commentaar op onze bedrijfsvoering. Dat we scherper hadden mogen boeren de afgelopen jaren. En dat terwijl Ricks ouders altijd netjes hebben betaald en hun leven lang bij de Rabobank zitten.” vertelt Arjuna. “Zijn grootste bezwaar was dat je er niet twee modale inkomens uit kan halen. Als we meer krachtvoer zouden gaan geven of het aantal koeien zouden verdubbelen, dan kon het wel uit volgens hem. Dan heb je een inkomen, op papier. We konden hem niet overtuigen van onze plannen om meer inkomen uit zelf verzuivelen te halen, want dat stond nog niet op papier. Het ging puur over kilogrammen melk per hectaren,” vult Rick aan.

Later deelt Rick zijn overpeinzingen over deze botsing met de Rabobank. “Ik zat laatst nog te denken, achteraf, met terugwerkende kracht. Als we nou mee waren gegaan met Rabobank, dan hadden we een stal gebouwd voor honderd koeien want daar haal je twee inkomens uit. Dan hadden we geen fosfaatrechten gekregen en later een half lege stal gehad. Dan hadden we echt een groot probleem gehad.”

Arjuna laat hun yoghurt, kefir en melk zien

Zou elke boer dit zo kunnen doen?

Arjuna: “Nee, je moet wel een goede basis hebben, zoals vaste afzetkanalen of de zekerheid van grond in eigendom.” Rick: “Tijdens zo’n intake gesprek is het belangrijk om te laten zien dat je oprecht bent. Dat je het niet uit een noodgreep doet, maar dat je er echt achter staat.” “Wij zaten bijvoorbeeld heel erg op één lijn met Triodos. Er was ook een soort van vanzelfsprekendheid dat onze manier van boeren ook goed was.” vult Arjuna aan en vertelt verder “Ik zou het wel elke boer aanraden. Er zijn nog veel biologische boeren die niet bij een groene bank zitten. Dat vind ik vreemd. Als je verantwoord boert, waarom kijk je dan ook niet waar je geld vandaan komt?”

Rick en Arjuna hebben vastgehouden aan hun eigen plannen en hun eigen ideeën van wat goed boeren is. Hun verhaal maakt me bewust van de sturende kracht die investeerders kunnen hebben. Na een aantal gesprekken met de Rabobank wordt het me duidelijk dat een goed financieel plan belangrijker is dan de missie van de boer voor deze bank. In dit geval was de rentabiliteit, dit geeft de verhouding weer tussen het inkomen (cashflow) en het vermogen, van de Melkbrouwerij te laag ingeschat om in aanmerking te komen voor een lening.

Banken blijven grootgebruikers van traditionele financieringsvormen, olietankers die maar langzaam veranderen. Hun koers zal in belangrijke mate de toekomst van onze landbouw bepalen. Nu maar hopen dat ook zij hun verantwoordelijkheid nemen voor een duurzame, toekomstbestendige landbouw.

Beeld:                 Thomas Karanikas.© all rights reserved
Redactie:            Marieke Creemers (Slow Food Youth Network)
Auteur:               Susan Drion

Remeker Landcoöperatie: slim de grondhonger stillen

Voor mijn onderzoek spreek ik met boeren die alternatieve financieringsvormen in de praktijk hebben gebracht. Ik bundel al deze ontmoetingen in een portretserie die als basis zal dienen voor ‘best practice guidelines’ voor alternatieve financiering in de landbouw. Zo kunnen ook andere boeren en investeerders leren van deze ervaringen. De Remeker Landcoöperatie laat zien hoe land kan worden gefinancierd.

We zijn niet de enigen op de Groote Voort. De winkel van de boerderij staat vol met klanten, die afkomen op de Remeker kaas. De krulvarkens wroeten buiten langs de oprijlaan en de Jerseys staan te grazen in de wei, de boerderij doet idyllisch aan. Ik ga aan tafel zitten met Irene van de Voort. Ze is een ondernemend type, daadkrachtig en niet zo onder de indruk van idealistische verhalen. Ook Jan Dirk van de Voort schuift aan. Met zijn rustige stem vult hij Irene aan waar nodig is. Hij is een boer van details, perfectie en gevoel. Hij weet me haarfijn uit te leggen waarom de Remeker Landcoöperatie zo belangrijk is voor de boerderij.

Irene is de drijvende kracht achter de Remeker Landcoöperatie. Het is een participatieconstructie: een financieringsvorm waarbij er samenwerking wordt gezocht met private vermogende partijen – in dit geval met burgers. Samen met Irene bespreek ik de technische details van deze financieringsvorm.

Van links naar rechts: Irene, Susan en Jan Dirk. Irene en Jan Dirk leggen mij uit hoe de Remeker Landcoöperatie werkt.

De Remeker Landcoöperatie in een notendop

De coöperatie geeft certificaten uit van €25.000,- per stuk. Burgers kunnen een certificaat kopen en worden daarmee lid van de coöperatie. Het doel van de coöperatie is om land vrij te maken voor de Groote Voort. Ze koopt land op en verpacht dit aan Irene en Jan Dirk. De certificaathouders ontvangen 1.5% rente. Dit percentage is hetzelfde als de canon, het huurbedrag van het land, wat Irene en Jan Dirk betalen aan de certificaathouders. De pachtprijs is dus de rente over de investering. Er wordt gewerkt met een liberale pacht constructie: Jan Dirk en Irene pachten voor periodes van zes jaar, mogen de grond alleen zelf gebruiken en er zijn afspraken gemaakt hoe het land onderhouden hoort te worden. Op deze manier is er al 4 hectaren land vrij gemaakt.

Irene en Jan Dirk trekken investeerders aan door de boerderij te laten zien, bijvoorbeeld door middel van excursies. Persoonlijk contact is in het begin van belang, maar mag niet te veel tijd kosten. Irene: “Investeerders kunnen langskomen om kaas te kopen, maar het is in principe een zakelijke relatie. We gaan geen extra activiteiten organiseren, want dat was nou net niet de bedoeling.”

Irene en Jan Dirk in de stal

Wat is het achterliggende doel van de Remeker Landcoöperatie?

Jan Dirk: “De beschikbaarheid van meer land helpt ons om de kringlopen te sluiten: we kunnen het land bewerken met onze eigen mest en zelf graan verbouwen. Dan hoeven we geen mest meer af te voeren en geen graan meer aan te kopen. Kringlopen compleet sluiten is heel erg moeilijk, maar we kunnen wel heel ver komen. Dát wil ik laten zien.

Verder zorgt het gebruik van eigen mest voor een ander voordeel: het home field advantage. De gisten, schimmels en bacteriën in de bodem zijn heel belangrijk en werken het beste op onze eigen mest. Dat voordeel zien we nu ook terug in de eigen smaak van de kaas.”

Jan Dirk laat zien wat goede kaas is

Het proces

Irene is een volhouder met passie voor het bedrijf, al sinds 2002 is ze bezig om een landcoöperatie op te zetten. Ze heeft veel geleerd van de eerste poging: het opzetten van het Lunters landfonds. Het geld van burgers werd ingezet om land aan te kopen voor Lunterse boeren. Door samenwerking met andere boeren en burgers en de belangstelling van andere organisaties moest er veel overlegd worden. Te veel, vond Irene. Toen het Lunters landfonds eindelijk stond, ging het geld niet naar de Groote Voort maar naar een gangbare kalvermester.

Irene: “Dat was een hele belangrijke les. Dat heeft ertoe geleid dat we hier er het Remeker landfonds van gemaakt hebben. Nu is het fonds puur voor ons eigen bedrijf.” In de infographic hieronder zie je het tijdspad dat Irene en Jan Dirk hebben doorlopen.

De ontwikkeling van de Remeker Landcoöperatie door de ogen van Irene en Jan Dirk

Welke uitdagingen ben zijn jullie tegengekomen in dit proces?

Irene: “Wetten en regels waren niet zo’n probleem. De inleggers hadden wel een probleem met de belasting over de certificaten. Om de landcoöperatie aantrekkelijk te maken is het wel handig als het belastingtechnisch voordelig is voor de inlegger, en belast wordt in box 1 in plaats van box 3. Dat bleek uiteindelijk best belangrijk en is gelukt.” Irene benoemt nog een andere uitdaging “Je wordt doodgeknuffeld. Maar daar moet je juist bedacht op zijn, anders kost het alleen maar heel veel tijd. Dan houdt het op.”

Jan Dirk deelt een andere remming. “Ik geef meer dan 100 excursies in een jaar, daar zitten ook vermogende mensen tussen – maar het is zelden dat er wat uitkomt. Nieuwe inleggers staan niet in de rij. Dat had ik anders ingeschat.”

Succesformule

De Remeker Landcoöperatie vaak aangehaald als een veelbelovend model. Ik vraag Irene en Jan Dirk wat zij zien als de succesfactoren.
Irene: “De registeraccountant en de eerste inlegger waren heel belangrijk. De eerste inlegger was ook degene die mij op het idee bracht om met certificaten van €25.000 te werken. Ik vond dat een astronomisch bedrag, maar het was een heel goed idee. Je trekt er namelijk een serieus en kapitaalkrachtig publiek mee aan. Verder staat of valt de landcoöperatie bij een goed bestuur. Voor de oprichting van de coöperatie heb je gewoon een rechtspersoon nodig, vertegenwoordigd door een bestuur. De landcoöperatie is zijn eigen entiteit, waarvan ik zelf niet in het bestuur kan zitten als pachter.”

Denk je dat elke boer zo’n landcoöperatie zou kunnen opzetten?

Irene: “Nee. Je moet wel een knuffelbedrijf hebben, een bedrijf hebben met een verhaal. Dus de eerste de beste boer hoeft hier echt niet aan te beginnen.” “En je moet betrouwbaar zijn. Ze vertrouwen de coöperatie wel €25.000 toe. Gelukkig is grond vrij waardevast en loopt de coöperatie daardoor nagenoeg geen risico.” vult Jan Dirk aan.

Grondhonger

Het verhaal van Irene en Jan Dirk maakte me duidelijk dat toegang tot grond een belangrijke rol speelt in verduurzaming van de landbouw. Toegang tot meer grond kan boeren in staat stellen kringlopen te sluiten. Maar de landbouwgrondmarkt is krap. De overheid wil dat de melkveehouderij grondgebonden groeit en boeren staan te popelen om de grond van gepensioneerde boeren over te kopen. En dit leidt tot wat Irene heel treffend omschreef als  ‘enorme grondhonger’. Grond lijkt door deze grondhonger alleen maar meer waard te worden. Beleggers staan in de rij om te investeren. Maar voor veel boeren is grond te duur geworden, om te kopen, over te dragen en om op te produceren. Irene en Jan Dirk werken slim samen met vermogende burgers. Zij beleggen in grond en maken dat vrij voor de Groote Voort tegen een relatief laag rendement. Zo weten Irene en Jan Dirk zich staande te houden in agrarische grondmarkt waar de concurrentie hevig is.

Beeld: Thomas Karanikas.© all rights reserved

De Beersche Hoeve B.V.: kampioenen in delen

Voor mijn onderzoek spreek ik met boeren die alternatieve financieringsvormen in de praktijk hebben gebracht. Ik bundel al deze ontmoetingen in een portretserie die als basis zal dienen voor een ‘best practice guidelines’ voor alternatieve financiering in de landbouw. Zo kunnen ook andere boeren en investeerders leren van deze ervaringen. Naar aanleiding van mijn oproep benaderde de Beersche Hoeve BV mij met een interessant verhaal.

Ik voelde zijn bevlogenheid door de telefoon. René Groenen benaderde mij naar aanleiding van mijn eerste blog. Of ik ook bleef eten? De Beersche Hoeve heeft niet alleen een goed verhaal maar is ook ontzettend gastvrij. Eenmaal aangekomen op de boerderij ontvangt René mij met een brede glimlach. We gaan aan de keukentafel zitten en later schuift Gineke de Graaf aan. Ze zet de boodschappen weg, rommelt wat in de keuken en legt dan in detail uit hoe zij hun nieuwe bedrijf gefinancierd hebben.

Van links naar rechts: René, Gineke en Teun

René en Gineke telen zaadvaste rassen, om robuuste en kwalitatief goede planten een plek te geven in de biodynamische landbouw en om de afhankelijkheid van grote zaadbedrijven te doorbreken. Ze wilden op de boerderij wonen, kweektunnels en meer schuurruimte. Dit kon niet op hun vorige boerderij, de Groenen Hof, en dus zochten ze naar een nieuwe plek. De financiering hiervoor kwam volledig uit hun eigen netwerk, vooral van hun zakenpartners.

In de infographic hieronder zie je de details van de financieringsvorm die René en Gineke hebben gebruikt. Om het bedrijf overdraagbaar te maken is al het vermogen onder gebracht in een B.V. die 100% dochter is van Odin. Gineke en René zijn in loondienst van de nieuw opgerichte B.V: De Beersche Hoeve B.V. Hun mogelijke opvolger, Teun Luijten, is dat ook . Het verdere kapitaal wat is binnengehaald, komt van drie bronnen: Bingenheimer investeringsfonds, het zaadbedrijf waar Gineke en René voor produceren, Odin, een biologische voedsel coöperatie, en particulieren. Het geld wordt gebruikt voor apparatuur en materialen om de zaadveredeling –en vermeerdering te verbeteren. Landgoed Baestheeft voor de grond en gebouwen gezorgd.

Over de samenwerking met Odin, Baest en Bingenheimer is het koppel heel tevreden. Ook de leenactie met particulieren was snel afgerond. Toch blijft deze laatste vorm lastiger. Gineke: “Die leenactie, dat zijn allemaal kortlopende leningen. Daarmee verschuiven we toch wel een bepaald vraagstuk. Dit vroeg ik me al tijden af, waarom verschuiven we dit probleem naar volgend jaar en het jaar daarna en daarna?” René vult aan: “Een dergelijke lening moet je niet te groot maken, dat is levensgevaarlijk. Hier zit een heel andere tijdsdynamiek in en daardoor meer onrust.”

Financieringsconstructie Beersche Hoeve B.V.: René en Gineke hebben heel wat lijntjes lopen

Welk doel hadden jullie voor ogen toen jullie besloten deze financieringsvorm te gebruiken?

René: “Dus we waren het met elkaar over eens dat onze oude boerderij, de Groenen Hof, niet toekomstproof was. We wilden dat de nieuwe generatie zo weinig mogelijk schulden hoeft te maken om een bedrijfsvorm te kiezen die op landbouwkundige principes georiënteerd is en niet op bedrijfseconomische principes.” “We wilden een manier ontwikkelen waardoor vormen van biodynamische landbouw echt mogelijk zijn”, vult Gineke aan. Kapitaalneutralisatie is een belangrijk middel daarin. Het betekent dat het vermogen niet gekoppeld is aan personen. Het bedrijf is nu van de coöperatie Odin. Onze opvolger hoeft het niet te kopen, dus hoeft het bedrijf  niet elke generatie zijn eigen waarde op te brengen. Wanneer dit wel moet, levert dit grote druk op voor de landbouw. Dan worden beslissingen genomen op financieel-economische gronden en niet op landbouwkundige gronden. En dat gaat ten koste van kwaliteit van de landbouw.”

Teun, geen boerenzoon maar wel de mogelijke opvolger van Gineke en René

Het proces

De infographic hieronder beschrijft enkele belangrijke momenten voor René en Gineke. Ook de tijd voor 2012 heeft een rol gespeeld. René en Gineke zijn allebei lange tijd betrokken bij Odin en kennen Koos Bakker, directeur van Odin, persoonlijk. Vele gesprekken met onder anderen Koos Bakker en Marc Mulders, de kunstenaar woonachtig op landgoed Baest, over de toekomst van de landbouw en zaadvaste rassen maakten de weg vrij voor de Beersche Hoeve B.V.

De ontwikkeling van de Beersche Hoeve BV door de ogen van Gineke en René

Veel persoonlijke relaties dus. Terwijl ik naar Gineke en René luister probeer ik te begrijpen hoe al deze lijntjes lopen. Het koppel lijkt een soort aantrekkingskracht te hebben. Veel geldschieters kwamen naar hen toe. Toch ben ik benieuwd of er dan helemaal geen weerstand was van de omgeving. Gineke kijkt nadenkend. “Nee, in dit proces eigenlijk niet. Eerder wel, die boerderij op het landgoed ‘de Utrecht ‘ is niet gelukt.”

Aan de keukentafel bij René en Gineke

Waarom denken jullie zelf dat dit zo goed is gegaan?

Gineke: “De tijd, de relaties en de constellatie waren rijp. Wij, Baest en Odin kwamen samen. Ieder had eigen wensen over een te zetten stap en die drie ideeën pasten erg goed bij elkaar. Dat maakte dit eigenlijk mogelijk.” René knikt instemmend. “Het klikte enorm. We konden elkaar vinden op gedeelde waarden. Odin is ook het enige bedrijf waarmee we zoiets hadden willen doen, vanwege die gedeelde waarden. We voelen ons hier erg thuis.”

De investeerders durfden op de twee te vertrouwen. Ze zou zouden er niet zomaar tussen uit knijpen en vullen elkaar goed aan. Gineke kijkt naar haar partner in crime “en jouw bevlogenheid heeft het een succes gemaakt” zegt ze. “En jouw degelijkheid” zegt René met een knipoog. Een goed team dus, iedereen lacht.

Als andere boeren dit ook zouden willen doen, welke lessen zou je ze willen mee geven?

René: “Je moet heel goed weten wat je wil en bereid zijn een echte partner te worden van anderen. Je moet je realiseren: ‘het is niet meer van mij alleen’.”

Gineke en René lijken kampioenen in delen: hun gastvrijheid, hun verhaal en hun eigendom. En dat betaalt zich terug in waardevolle zakenpartners. Zakenpartners die net als Gineke en René willen investeren in een toekomstbestendige boerderij.

Beeld: Thomas Karanikas.© all rights reserved

‘Betrek het hele gezin bij overname familiebedrijf’

Veel agrarische familiebedrijven hebben in het opvolgingsproces te weinig aandacht voor de sociale en emotionele kanten van een bedrijfsovername. Ook worden de broers of zussen die het bedrijf niet overnemen vaak onvoldoende betrokken. Dit blijkt uit onderzoek van het Landelijk Expertisecentrum Familiebedrijven (LEF) van Hogeschool Windesheim.

Complex proces

De afgelopen twee jaar deed het expertisecentrum samen met Aeres Hogeschool Dronten, LTO Noord en NAJK onderzoek naar het bedrijfsopvolgingsproces bij agrarische familiebedrijven. ‘Bij familiebedrijven is het opvolgingsproces complexer dan bij andere bedrijven, omdat er een ingewikkelde sociale band kan bestaan tussen familieleden’, zegt Ilse Matser, lector Familiebedrijven bij Windesheim. ‘Daarom is het belangrijk dat er niet alleen oog is voor de zakelijke aspecten, maar ook voor de sociale en emotionele aspecten die bij de overname komen kijken. Dit is bij veel families niet vanzelfsprekend.’

Psychologisch eigendom

De onderzoekers hebben onder andere spelvormen zoals het waarden- en belangenspel ontwikkeld om families te helpen belangrijke zaken in een luchtige en open sfeer bespreekbaar te maken. Jelle Bouma, onderzoeker bij het LEF: ‘Vaak beperkt de communicatie zich tussen de overdrager en de opvolger, terwijl het juist erg belangrijk is om ook de familieleden die het bedrijf niet gaan overnemen, erbij te betrekken. Het familiebedrijf is vaak ook de plek waar het gezin woont en samenkomt. Tijdens het onderzoek bleek dit voor de niet-opvolgende kinderen een belangrijk punt: zij willen ook na de opvolging nog “thuis” kunnen komen op het bedrijf. Hier is sprake van een psychologisch eigendom waar door de overdrager en opvolger ook rekening mee gehouden hoort te worden.’

Familiegesprek

Een kansrijk instrument voor veel familiebedrijven is het opstellen van een familiestatuut. ‘Zo’n statuut kan een goede aanleiding zijn voor familieleden om met elkaar in gesprek te gaan’, zegt Kathalijne Visser, onderzoeker bij Aeres. ‘Wat zijn de waarden van de familie, waar willen we als familiebedrijf over twintig jaar staan, hoe gaan we om met conflicten en hoe graag willen we het bedrijf koste wat kost binnen de familie houden?’ Een hierbij is om een begeleider te betrekken bij deze gesprekken. Met een begeleider gaan mensen “makkelijker” praten en spreken ze zich eerder uit over elkaar rol en hoe ze tegen elkaar aankijken. Visser: ‘In de familiegesprekken kwam bijvoorbeeld de waardering voor elkaar naar boven, iets wat anders niet zo snel wordt uitgesproken.’ Voorts is het belangrijk om eventueel gemaakte afspraken vast te leggen.

Meer lezen over dit onderwerp? Ga dan naar www.windesheim.nl/lef-publicaties om daar de publicatie Agrarische bedrijfsopvolging: Een project voor de hele familie te downloaden.

Herenboeren Wilhelminapark: boer, burger en consument in één

Voor mijn onderzoek spreek ik met boeren die alternatieve financieringsvormen in de praktijk hebben gebracht. Ik bundel al deze ontmoetingen in een portretserie die als basis zal dienen voor een ‘best practice guidelines’ voor alternatieve financiering in de landbouw. Zo kunnen ook andere boeren en investeerders leren van deze ervaringen. Herenboeren trapt af.

Waar is de boerderij? Dat is het eerste wat er door me heen gaat. Ik word ontvangen in ‘de keet’, twee grote containers compleet met verwarming, wc en licht. De boerderij, dat is het land. En de boer is al naar huis. Herenboeren zet mijn perspectief van wat een boerderij is en hoe je deze financiert op de kop.

Douwe Korting zet een kop thee neer, van onder zijn grote krullenbos kijkt hij me scherp aan. Trots begint hij te vertellen over Herenboeren. Even later loopt Geert van der Veer binnen. Hij moest eerst nog even de varkens voeren, deelt hij met een brede lach op zijn gezicht.

De keet

Herenboeren is een van de weinige burgerinitiatieven die zelfs het idee van alternatieve financiering uitdaagt. Het gaat namelijk niet om het aantrekken van vreemd vermogen. Herenboeren is compleet gefinancierd door burgers die ook eigenaar zijn van de boerderij: door eigen vermogen dus. De boerderij is volledig onafhankelijk van subsidies en maakt geen winst. En de boer is in loondienst. Hoe deze dwarsdenkers te werk gaan, lees je in deze blog.

Geert van der Veer, oprichter Herenboeren, (links) en Douwe Korting, bestuurslid Herenboeren Wilhelminapark (rechts)

Hoe werkt Herenboeren precies?

Douwe: “We hebben een coöperatie van momenteel 150 huishoudens, met ruimte tot 200, die eenmalig €2000 investeren. Van die vier ton is de boerderij ontwikkeld. Naast deze bijdrage deelt de coöperatie de jaarlijkse kosten. Er wordt een begroting gemaakt, de boer moet betaald worden bijvoorbeeld. Alle kosten deel je door de monden die van de boerderij eten. In ons geval maximaal 500 monden. Ieder lid betaalt ongeveer €500 per jaar om samen de begroting te dichten. Vegetariërs iets minder, alleseters iets meer. Met elkaar dek je de kosten en wat je daar voor terugkrijgt is je eten: jaarrond aardappelen, groente en fruit, en per mond tien kilo varkensvlees, zeven kilo rundvlees, kippenvlees en eieren.”

 Welk doel hadden jullie voor ogen toen jullie besloten deze financieringsvorm te gebruiken?

“Geld als middel. Punt.” zegt Geert kordaat.

Duidelijk. Geld als middel waarvoor?

Geert: “Ik gun mensen, letterlijk, het beste eten tegen een zo goedkoop mogelijke prijs… De marge die normaalgesproken naar de supermarkt gaat, ongeveer €0.85 per euro, benutten wij voor het uit ontwikkelen van natuur inclusieve landbouw. Wij verstaan daaronder dat we echt kijken naar nieuwe teelt- en houderijtechnieken, geredeneerd vanuit de meest natuurlijke omstandigheid van dier of plant.”

Wat motiveerde jullie om Herenboeren te starten?

Geert: “Ik heb gezien wat er in de huidige sector gebeurt… In mijn tijd bij de Limburgse Land –en Tuitbouw Bond (’98 – ’03) ontdekte ik dat wat ik eigenlijk ook wel wist: agrarische bedrijven zijn bijna allemaal technisch failliet. Het rendement op eigen vermogen is bijna nul en het ondernemersinkomen is rond de 30.000 euro. Moet ik daar nou 78 uur per week voor werken? Het is een way of life, dat hoort daar ook bij, dat snap ik, maar wie financiert dit? In een “normale” business wordt dit niet als een rendabele business case beschouwd…. Dat we nu aan het doen zijn, kan niet zo doorgaan. Er zal een alternatief komen.”

Het proces

De infographic hieronder beschrijft enkele belangrijke momenten voor Herenboeren. Het begon met een lijstje met de uitdagingen waar de sector voor stond, volgens Geert. Met al zijn bevlogenheid heeft Geert een groep mensen om hem heen verzameld. Samen hebben ze het concept tot in de puntjes uitgewerkt en uitgerekend. De locatie werd gevonden en met behulp van een lening van de Marggraff Stichting startklaar gemaakt. Vooral in bodemvruchtbaarheid werd geïnvesteerd. Toen was het tijd voor actie: het team kreeg 56 huishoudens zo ver om €2000 in te leggen. Dit overtrof het startkapitaal van €100.000.* Een half jaar later werd de boerderij opgeleverd.

De ontwikkeling van Herenboeren door de ogen van Geert van der Veer

Hoe kwamen jullie aan grond?

Geert: “Ik had een zakelijke relatie met de grondeigenaar. Die ons de grond gunde. Hij zocht namelijk juist een alternatieve inkomstenbron en wilde aan de slag met duurzame ontwikkeling op zijn terrein. We pachten deze grond – een constructie die voor mij weer te maken met de rol van geld. Het gaat niet over het hebben van grond, om eigendom dus, maar toegang hebben tot grond. We betalen bovendien een normale prijs. Ik wilde geen speciale deal. Ik wilde geen knuffel krijgen want dan zouden we een knuffelinitiatief worden. Het moest op basis van commerciële uitgangspunten ook werken.”

 In hoeverre ervoeren jullie weerstand of juist omarming van huidige wet -en regelgeving?

“Onnoemelijk” lacht Geert. “Een voorbeeldje: Het paste niet in het bestemmingsplan. We zijn rondleidingen gaan organiseren. De pers was ook uitgenodigd. Later stond er een artikel in de krant, dat potentiële herenboeren naar hun eigen locatie zijn komen kijken. En toen zag ook de gemeente de kracht van de community. Het is eigenlijk zo’n mooie sociale beweging. Nu gedogen ze de boerderij.”

Omdenken op grote schaal

Geert: “Ik zou nog één ding willen meegeven als het om financiering gaat. Van het geld dat wij met het Gemeenschappelijke Landbouw Beleid uitgeven aan boeren, kunnen wij ook de burger financieren met eenmalig €2000. Dan is voor iedereen de drempel nul om een Herenboerderij te starten.”

Naast persoonlijke relaties en een goed verhaal, wat zijn andere factoren van succes geweest volgens jullie?

Geert: “Doordouwen. You need the fool. Iemand die gewoon echt zeg, stik d’r maar in, ten koste van alles, soms letterlijk alles.” Douwe: “We hebben de tijdgeest mee, wij zijn een bron van inspiratie voor de sector. Zonder ons tegen de gangbare sector af te zetten.” Geert vult aan “Het is vooral heel leuk”.

Zelfs ik moest even wennen aan het concept van Herenboeren. Na het interview lieten Geert en Douwe mij de velden, varkens en koeien zien. De miezer maakte alsof we alleen op de wereld waren.

Geert en Douwe gaven duidelijk aan dat Herenboeren geen knuffelinitiatief mag zijn. Toch is het bijna te mooi om waar te zijn. Maar de keiharde cijfers van Geert en Douwe bewijzen dat het kan: een gemengde boerderij, volledig gefinancierd en in eigenaarschap van burgers en een boer met een eerlijk inkomen. Een model om serieus te nemen.

Beeld koeien: door Douwe Korting aangeleverd
Alle andere foto’s: Thomas Karanikas.© all rights reserved

*alleen deze Herenboerderij heeft zo’n laag startkapitaal. Het model gaat uit van 200 leden en vier ton startkapitaal.

Geld en de toekomst van de landbouw

Geld. Het is een onderwerp dat iedereen beweegt. Sommigen zien geld als een probleem, het leidt af van belangrijkere zaken zoals gezondheid en geluk. Anderen ervaren geld als een hindernis, mooie ideeën komen niet zo ver zonder geld om ze uit te voeren. Geld zou dan ook een oplossing kunnen zijn, een middel om slimme ideeën te verwezenlijken en andere waarden te scheppen. Geld als veranderaar, het is het onderzoeken waard.

IMG-20170820-WA0021
Susan Drion – credits: Pieter van Hout

Ik ben Susan Drion, student biologische landbouw aan de WUR en voorzitter van het Slow Food Youth Network Nederland. Ik begin steeds meer te ontdekken dat de toekomst van onze landbouw afhangt van ons economisch systeem. Het economisch systeem bepaalt hoe we eten waarderen, in hoeveelheid, kwaliteit, gezondheid of milieuvriendelijkheid. Het economisch systeem bepaalt ook de speelruimte van agrarisch ondernemers, economisch beleid legt regels op en stimuleert een bepaald soort ondernemerschap. Als we de toekomst van onze landbouw in eigen handen willen nemen, dan hebben we dus een economisch systeem nodig dat dit mogelijk maakt. Startkapitaal is nodig om oplossingen te testen voor een duurzamere landbouw. Daarom neem ik het onderwerp financiering als het startpunt van mijn zoektocht naar de samenhang tussen geld en de toekomst van de landbouw.

De Nederlandse landbouw is kampioen in het produceren van veel voedsel. Na de Verenigde Staten zijn wij het meest voedsel exporterende land ter wereld. We moeten trots zijn op het aantal monden dat de Nederlandse landbouw kan voeden. Ook zijn onze boeren de landschapsmanagers van Nederland. Ze onderhouden onze weilanden, akkers en velden. Zonder deze harde werkers is er geen Nederlands voedsel om ons te voeden, geen koeien in de wei en volledige afhankelijk van het buitenland.  De landbouw is dus belangrijk voor ons allemaal. Er is helaas ook een keerzijde aan dit verhaal. Door de landbouw is de biodiversiteit in Nederland flink afgenomen en verdichten de bodems. Ook is de landbouw verantwoordelijk voor een substantieel deel, 10%, van de uitstoot van broeikasgassen. De Nederlandse landbouw moet dus duurzamer. Dan kan je naar de boer kijken, maar die heeft weinig bewegingsruimte. De gemiddelde boer in ons land draait verlies en 39% van de boeren leeft onder de armoede grens. Voor het verduurzamen van de landbouw heeft het dus geen zin om alleen maar bij de boeren aan te kloppen.


VERDUURZAMEN #WATDAN
Dit onderzoek neemt geen vooraf ingenomen positie in over wat voor duurzaamheid bereikt zou moeten worden. Alle richtingen worden erkent en mogelijk onderzocht. Met verduurzaming van landbouw wordt het volgende bedoeld:

  • Het verhogen van natuurlijk kapitaal: de bodemkwaliteit verbeteren, biodiversiteit verhogen, broeikasgassen verlagen, omschakelen naar groene energiebronnen en het gebruik van kunstmatige gewasbeschermingsmiddelen verlagen
  • Het verhogen van sociaal kapitaal: de verbinding tussen boer en burgen versterken, het bewustzijn over de herkomst van –en effect op onze gezondheid van ons voedsel vergroten, lokale samenwerking versterken
  • Het verhogen van menselijk kapitaal: lokale  werkgelegenheid vergroten

Voor een omslag naar duurzame landbouw is geld nodig. Geld om uit te proberen wat wel werkt en wat niet. Normaal gesproken gaat de boer naar de bank, om geld te vragen voor een nieuw plan. Dat wordt steeds moeilijker. Door nieuwe regels, de zogeheten Basel 3 Akkoorden, moet de bank meer geld op de rekening laten staan en kan minder risicovol investeren. Ondertussen is het inkomen van boeren steeds instabieler geworden waardoor een cashflow voor het terugbetalen van de lening niet gegarandeerd kan worden.

Het is dus hoog tijd dat de Nederlandse landbouw verduurzaamt en de boer weer een eerlijk inkomen verdient. We kunnen niet op de banken blijven wachten en zullen het heft in eigen handen moeten nemen. Alternatieve financieringsmodellen kunnen misschien de deur naar een toekomstbestendige landbouw openen, en dus is het tijd om deze eens grondig uit te zoeken. Financieringsmodellen zijn alternatief als ze andere bronnen van financiering gebruiken dan de bank, soms wel in combinatie met cofinanciering met de bank. Voorbeelden zijn crowdfunding, kredietunies, burgerinitiatieven en beleggingsfondsen.

Donald Duck in de schijnwerpers – hoe deed zijn oom dat nou toch?

In hoeverre is financiering een probleem voor boeren die willen verduurzamen? Welke vormen van alternatieve financiering vergroten daadwerkelijk duurzaamheid op de boerderij? Wat voor lessen kunnen getrokken worden uit deze succesvolle praktijkvoorbeelden? En in hoeverre kunnen deze lessen van waarde zijn voor boeren die willen verduurzamen? Dit zijn de vragen die ik wil beantwoorden tijdens mijn onderzoek.

Voor mijn onderzoek ben ik op zoek naar echte verhalen van boeren die ervaring hebben met alternatieve financieringsmodellen die duurzaamheid op de boerderij hebben vergroot. Deze ‘best practices’ deel ik met jullie in deze blogserie. Ken jij innovatieve financieringsconstructies voor in de landbouw? Heb jij zo’n constructie al gebruikt en wil jij je ervaring delen? Of ken jij andere interessante spelers op dit gebied? Laat het mij dan weten! Reageer op deze blog, via twitter of schrijf een mail naar susan.drion@wur.nl.

Bedankt!

NAJK-inspiratiedag groot succes

Nieuwe regering investeert 75 miljoen in jonge boeren en tuinders

Het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) is opgetogen over het voorstel in het regeerakkoord om 75 miljoen vrij te maken voor jonge boeren en tuinders. De jarenlange lobby van NAJK voor extra ondersteuning na opvolging van agrarische bedrijven is succesvol gebleken.

CDA, VVD, ChristenUnie en D66 hebben op 10 oktober het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ gepresenteerd. In de landbouwparagraaf gaat speciale aandacht uit naar bedrijfsovername en innovatie in de agrarische sector. Voor NAJK een groot goed. Vorige maand riep de belangenbehartiger de partijen in de Tweede Kamer op om een substantieel bedrag vrij te maken voor jonge boeren en tuinders. Daarbij vroeg NAJK zich hardop af of beleidsmakers zich wel voldoende bewust zijn van de ontwikkelingen in de agrarische sector. Met het vrijmaken van de 75 miljoen euro voor jonge landbouwers is dit het geval gebleken.

NAJK opgetogen

Andre Arfman, voorzitter van NAJK, noemt het extra geld een steun in de rug voor de toekomstige agrarische ondernemers. Arfman: “We zijn verheugd dat de nieuwe coalitie inziet dat ondersteuning bij bedrijfsovername en innovaties cruciaal is om de opvolging, ontwikkeling en optimalisering in de agrarische sector verdere handen en voeten te geven.”

Keihard nodig

De agrarische jongeren pleiten al langer voor betere steun bij bedrijfsovername en verdere ontwikkeling. Momenteel heeft slechts 40% van de agrarische bedrijven een bedrijfsopvolger. Als gevolg hiervan zullen met name kleine agrarische bedrijven de komende jaren verdwijnen. Arfman: “Ook het feit dat minder dan 4% van de Nederlandse boeren jonger dan 35 jaar is, is schrikbarend. Om de toekomst van de Nederlandse voedselvoorziening en de ontwikkeling van de agrofoodsector veilig te stellen, zijn flinke investeringen nodig. Dit is een begin.” Volgens de jonge boeren en tuinders zijn blijvende investeringen in de toekomst van de Nederlandse land- en tuinbouw essentieel. NAJK is dan ook positief over het idee om het zogenoemde ‘jonge boerenfonds’ te ontwikkelen.

NAJK wil meedenken

NAJK spreekt al langere tijd mee over de invulling van de JOLA en top-up en kan ook bij het nieuwe jonge boerenfonds de verbindende schakel zijn tussen politiek en jonge boer. Arfman: “Als vereniging voor en door jonge boeren en tuinders weten we waar het schuurt wanneer het gaat om bijvoorbeeld bedrijfsovername. Daarom gaan we graag met de nieuwe bewindspersoon in gesprek. Hoe zorgen we ervoor dat het geld ook echt op de boerenerven terechtkomt?”