Jonge boeren en tuinders: kies wijs!

NAJK start campagne ‘Jonge boeren en tuinders: kies wijs!’

Welke politieke partij komt op voor jonge boeren en tuinders? Hoe ziet de toekomst van de land- en tuinbouw er volgens hen uit? Het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) start in aanloop op de Tweede Kamerverkiezingen op 15 maart de campagne: Jonge boeren en tuinders: kies wijs!

De komende weken duikt NAJK in de wereld van de verkiezingen. Met de campagne ‘Jonge boeren en tuinders: kies wijs!’ vraagt NAJK jonge agrariërs en burgers te kiezen voor partijen die staan voor een toekomstbestendige land- en tuinbouw. Vanaf volgende week publiceert NAJK korte video’s waarin landbouwwoordvoerders de politieke standpunten voor jonge boeren toelichten. De video’s ‘kies wijs!’ zijn te vinden op www.najk.nl en via de onlinekanalen van NAJK: Facebook, Twitter en YouTube.

NAJK in het teken van verkiezingen

Op woensdag 15 maart worden de Tweede Kamerverkiezingen 2017 gehouden. Voor 800.000 jongeren de mogelijkheid om voor het eerst hun stem uit te brengen. Gebleken is dat deze leeftijdsgroep tijdens de verkiezingen vaak niet gaat stemmen. Onder deze 800.000 jongeren vallen ook veel agrarische jongeren, een goede reden voor NAJK om een verkiezingscampagne op te richten. Met de campagne ‘Jonge boeren en tuinders: kies wijs!’ hoopt NAJK de agrarische jongeren te activeren om naar de stembus te gaan.

Landbouwwoordvoerders aan het woord

NAJK-voorzitter, Andre Arfman, stelde landbouwwoordvoerders van verschillende politieke partijen de vragen: Als u minister van landbouw wordt, welke drie zaken gaat u voor jonge boeren en tuinders realiseren? Hoe ziet volgens u de land- en tuinbouw in Nederland er over 20 jaar uit? “Het is belangrijk dat er partijen en Kamerleden worden gekozen die jonge boeren en tuinders ruimte geven om te ontwikkelen”, aldus Arfman.

Carla Dik-Faber (CU), Eric Smaling (SP), Jaco Geurts (CDA), Tjeerd de Groot (D66), Helma Lodders (VVD) en Elbert Dijkgraaf (SGP) deelden hun visie op de landbouw. Volgende week zijn de video’s te bekijken op www.najk.nl en via de onlinekanalen van NAJK: Facebook, Twitter en YouTube.

NAJK-portefeuille tuinbouw voor Jan Paauw

Sinds donderdag 23 februari 2017 heeft het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) een nieuwe portefeuillehouder tuinbouw. Tijdens de algemene ledenvergadering is Jan Paauw unaniem verkozen als de nieuwe dagelijks bestuurder. Jan Paauw volgt daarmee Jan Enthoven op,  die juni 2016 aftrad. 

Paauw is opgegroeid op een leliebedrijf. De tuinbouw is hem dan ook met de paplepel ingegoten. Na het afronden van de opleiding Tuinbouw & Agribusiness is Paauw gaan werken in de buitendienst van een adviseringsbedrijf voor tuinders, specifiek op het gebied van bloembollenteelt. Hierdoor is hij dagelijks in gesprek met veel kwekers en tuinders.

Verstevigen

Paauw heeft een grote passie voor tuinbouw. “Nederland is vooruitstrevend op het gebied van land- en tuinbouw. Deze positie moeten we behouden en vooral verstevigen. Daarvoor is de belangenbehartiging noodzakelijk. Ik wil mij dan ook heel graag inzetten voor de belangen van de jonge tuinders”, aldus Paauw.

Toelichting Regeling fosfaatreductieplan 2017

Het ministerie van Economische Zaken heeft op 17 februari 2017 de Regeling fosfaatreductieplan 2017 bekend gemaakt. Deze ministeriële regeling is onderdeel van het maatregelenpakket fosfaatreductie 2017. Daartoe behoren ook de op 3 februari 2017 gepubliceerde Subsidieregeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderij en het Voerspoor Melkveehouderij.

De drie maatregelen zijn er op gericht de fosfaatproductie door de melkveehouderij dit jaar substantieel te verminderen. Reductie van fosfaat is noodzakelijk om in 2017 onder het fosfaatproductieplafond te komen. Alleen in dat geval blijft de derogatie behouden en kunnen Nederlandse melkveebedrijven dit jaar gebruik blijven maken van de uitzonderingspositie die zij hebben van de Nitraatrichtlijn van de Europese Unie. Ook is er dan uitzicht op derogatie in de periode 2018-2021. De Europese Commissie heeft deze voorwaardelijke toezegging op 3 februari 2017 aan staatssecretaris Van Dam gedaan.

Aanleiding voor de ministeriële regeling

De nieuwe Regeling fosfaatreductieplan 2017 vervangt het Fosfaatreductieplan ZuivelNL dat de zuivelsector op 14 december 2016 presenteerde. Mede op verzoek van de Europese Commissie besloot de staatssecretaris het sectorplan te borgen via een ministeriële regeling. De gewijzigde juridische basis heeft het mogelijk gemaakt het oorspronkelijke plan -in het belang van een substantiële reductie van de fosfaatproductie- te verbreden en aan te passen. De wijzigingen maken het plan eenvoudiger, robuuster en daardoor ook effectiever.

Toepassing van de regeling

De nieuwe regeling is van toepassing op alle koemelk producerende bedrijven én op overige bedrijven met vrouwelijke runderen. Bij de overige bedrijven geldt een aantal uitzonderingen. Houders van vijf vrouwelijke runderen of minder, vleeskalverbedrijven en niet-melk producerende bedrijven die sinds 15 december 2016 maximaal 2 runderen hebben aangevoerd, vallen niet onder de regeling.

De ministeriële regeling gaat in per 1 maart 2017 en omvat vijf perioden van elk twee maanden.

Periode 1: 1 maart tot en met 30 april 2017

Periode 2: 1 mei tot en met 30 juni 2017

Periode 3: 1 juli tot en met 31 augustus 2017

Periode 4: 1 september tot en met 31 oktober 2017

Periode 5: 1 november tot en met 31 december 2017

Na 31 december 2017 zullen de fosfaatrechten voor melkvee de fosfaatproductie van de melkveehouderij begrenzen.

Werking van de regeling

De bedrijven die onder de regeling vallen krijgen een referentieaantal gebaseerd op een aantal grootvee-eenheden (GVE’s), zoals geregistreerd in het I&R-systeem.

Voor melkleverende bedrijven die niet grondgebonden zijn, is de referentie gelijk aan het aantal GVE’s dat op 2 juli 2015 geregistreerd stond min 4%.

Grondgebonden melkveebedrijven krijgen een referentieaantal gelijk aan alle op 2 juli 2015 geregistreerde GVE’s, zonder korting. De regeling verstaat onder een grondgebonden bedrijf een melkveebedrijf dat op basis van de Gecombineerde Opgave 2015 in dat kalenderjaar voldoende grond had om alle mest van melkvee (gerekend in kilogrammen fosfaat) te plaatsen.

Niet-melk leverende bedrijven krijgen een referentieaantal gelijk aan het aantal GVE’s dat op 15 december 2016 werd gehouden.

De referentieaantallen betreffen alleen vrouwelijke runderen en worden vastgesteld op basis van de volgende omrekeningsfactoren:

  • rund van 0 tot 1 jaar is 0,23 GVE;
  • rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd is 0,53 GVE;
  • rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd is 1,0 GVE.

Gefaseerde reductie

Melkleverende bedrijven krijgen ook een doelstellingsaantal. Dat is het aantal GVE’s dat op 1 oktober 2016 in het I&R-systeem geregistreerd stond, verminderd met een bepaald reductiepercentage.

In periode 1 (maart en april) is dat percentage 5%. Dat betekent dat melkveebedrijven met te veel GVE’s ten opzichte van het referentieaantal, dan het aantal GVE’s moet reduceren tot maximaal het aantal van 1 oktober 2016 minus 5%. Alle groei na 1 oktober 2016 moet dus in elk geval geheel worden gereduceerd.

In periode 2 (mei en juni) is het reductiepercentage 10%. Afhankelijk van het verloop van de totale nationale fosfaatreductie stelt de minister het percentage voor periode 3 (juli en augustus) vast op maximaal 20%. Voor de perioden 4 (september en oktober) en 5 (november en december) bedraagt het reductiepercentage maximaal 40%.

Een reductie telt pas als deze is verwerkt in het I&R-systeem. Daarom wordt aangeraden afgevoerde runderen direct af te melden. Anders bestaat de kans dat reeds afgevoerde runderen toch nog als boventallige GVE’s worden meegeteld. Ook is het van belang slachtdieren tijdig aan te bieden, omdat de slachtcapaciteit beperkend kan zijn.

Niet-melkleverende bedrijven moeten direct GVE’s reduceren tot hun referentie.

Heffing

Bedrijven die het doelstellingsaantal niet halen, en dus niet voldoen aan de voorgeschreven gefaseerde reductie krijgen een heffing opgelegd. Die bedraagt 240 euro per GVE per maand over alle GVE’s boven de referentie.

In periode 1 wordt maart en april samen afgerekend, op basis van de stand in de maand april. De heffing per boventallige GVE bedraagt in april dus 480 euro. De heffing wordt berekend op basis van het gemiddeld aantal GVE’s per maand, afgerond tot twee decimalen achter de komma. Een bedrijf dat in de eerste maand van een periode een heffing krijgt opgelegd, maar in de tweede maand alsnog het doelstellingsaantal haalt, krijgt geld terug. De heffing over die eerste maand wordt dan kwijtgescholden.

Solidariteitsheffing

Melkleverende bedrijven die in een bepaalde periode wel het aantal vereiste GVE’s reduceren, maar desondanks het referentieaantal nog niet hebben bereikt, krijgen over alle nog te reduceren GVE’s een solidariteitsheffing opgelegd. In periode 1 bedraagt deze 112 euro voor elke in april resterende, boventallige, GVE. In de overige perioden is dat 56 euro per maand. De solidariteitsheffing geldt niet voor de niet-melk leverende bedrijven.

Bonus

Melkleverende bedrijven die in een maand minder GVE’s hebben dan het referentieaantal ontvangen een bonus. Die bonus bedraagt in de eerste periode 120 euro voor elke GVE onder de referentie op basis van het gemiddelde in april. In de perioden 2 en 3 is dat 60 euro per maand en in de perioden 4 en 5 bedraagt de bonus 150 euro per maand. Het aantal GVE’s waarvoor een bedrijf een bonus kan ontvangen, is beperkt tot 10% onder het referentieaantal. Net als bij de heffingen wordt ook de totale omvang van de bonus bepaald op basis van het gemiddeld aantal runderen per maand.

Verrekening

De bonussen worden betaald uit de opbrengsten van de heffingen. Als er minder opbrengsten zijn dan er aan bonussen uitgekeerd moet worden, gaat de bonus omlaag naar rato van het ontstane tekort. Een eventueel positief saldo na periode 5 zal het ministerie naar rato verdelen over alle melkleverende bedrijven die in december 2017 minder dieren houden dan op 1 oktober 2016.

Namens de minister zullen de zuivelondernemingen (voor zover aangesloten bij ZuivelNL) de heffingen en bonussen bij melkleverende bedrijven verrekenen met het melkgeld. Dat gebeurt na elke maand, alleen de eerste periode (maart-april) wordt in één keer verrekend. Op melkleverende bedrijven die leveren aan een zuivelonderneming die niet bij ZuivelNL is aangesloten en de niet-melk leverende bedrijven verzorgt RVO.nl de inning van de heffingen en de uitkering van de bonussen (voor zover van toepassing).

Bijzondere omstandigheden

Indien sprake was van buitengewone omstandigheden kan RVO.nl het referentieaantal op verzoek van de veehouder aanpassen. Daarvoor moet uiterlijk op 1 april 2017 een melding zijn ingediend bij RVO.nl, op een speciaal formulier dat zo spoedig mogelijk beschikbaar komt.

In- en uitscharing

Een veehouder die tussen 1 januari 2015 en 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard die later dat jaar op het bedrijf terugkeerden, kan het referentieaantal door RVO.nl laten verhogen. De inschaarder moet er wel mee instemmen dat zijn referentieaantal overeenkomstig omlaag gaat.

Als een veehouder (niet in 2015 maar) (ook) in 2016 runderen had uitgeschaard kan RVO.nl het aantal te reduceren runderen desgevraagd ook aanpassen. In dat geval wijzigt ook het aantal te reduceren GVE’s bij de inschaarder. Ook hiervoor stelt RVO.nl een speciaal formulier ter beschikking.

Bedrijfsoverdracht

Veehouders die na 2 juli 2015 een beëindigd bedrijf geheel of gedeeltelijk hebben overgenomen kunnen RVO.nl verzoeken het referentieaantal (naar rato) te verhogen met het referentieaantal dat het overgenomen bedrijf zou hebben gehad.

Als de overname na 1 maart 2017 plaatsheeft, moet het verzoek uiterlijk één maand na de bedrijfsoverdracht zijn ingediend. Eerdere overdrachten moeten uiterlijk 1 april worden gemeld.

Knelgevallen

Veehouders die menen dat het referentieaantal niet representatief is voor de veebezetting op 2 juli 2015 (of 15 december 2016 in het geval van een niet-melk leverend bedrijf) kunnen RVO.nl om aanpassing vragen. Het ministerie stelt daarbij de voorwaarde dat het feitelijke aantal GVE’s minimaal 5% lager is als gevolg van: bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een

persoon van het samenwerkingsverband van de veehouder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen. De aanpassing bedraagt nooit meer dan overeenkomt met de geregistreerde GVE’s voor de buitengewone omstandigheid intrad. De melding voor aanpassing dient op een daarvoor door RVO.nl beschikbaar gesteld formulier te gebeuren en uiterlijk 1 april 2017 bij RVO.nl te zijn ingediend.

 

Bron: ZuivelNL

Keuzes van nu bepalen later je pensioen

Interactief, kort en bondige informatie, jonge sprekers en een publiekstrekker. Ingrediënten voor een speciale jongerenbijeenkomst over pensioen bedacht met en door agrarische jongeren en BPL Pensioen (BPL). Voor een twintigtal jongeren bleek het een goede aanleiding om even stil te staan bij pensioen begin februari in Westerbork. Wijzigingen in je leven kunnen invloed hebben op je pensioen

Na een kort welkomstwoord door de jongste twee bestuurders van BPL, Sander van Meer en Jaco van der Starre en pensioenconsulent Robin Bond peilde BPL eerst de  meningen met een stemkastje. “Er is straks voor jongeren geen pensioen meer.” was een van de stellingen. De reacties werden gelijk op een groot scherm getoond. 68% was het gedeeltelijk of helemaal eens met deze stelling. Het was een schone taak voor Sander en Jaco om dit idee te ontzenuwen. Tijdens deze bijeenkomst leidde Jeanette Brouwer iedereen door de avond heen.

Na een luchtige onderbreking door het Cabaretduo Improactief, bestaande uit Irene van der Aart en Adjust Bouwman, werden er korte filmpjes vertoond van de Pensioenfederatie horend bij de campagne Detijdvanjeleven. Daarna beantwoordden de bestuurders en pensioenconsulent Robin diverse vragen over gebeurtenissen in je leven. Het is belangrijk te kijken wat er bijvoorbeeld gebeurt met je pensioen, als je een nieuwe baan krijgt. Dat is nl. afhankelijk of je binnen of buiten de sector een baan vindt. Afhankelijk daarvan bouw je binnen of buiten BPL Pensioen verder aan je pensioen.

In de landbouw lijkt het er op dat steeds meer jongeren als ZZP-er gaan werken. Speciaal voor degenen die bij BPL pensioen deelnemer zijn geweest is er een regeling. Als je daarna zelfstandige wordt, dan heb je de keuze om je pensioen verder bij BPL op te bouwen. Je mag als zelfstandige nog 10 jaar lang bij BPL Pensioen opbouwen. Je betaalt dan wel zelf de gehele premie.

Een jongere vroeg zich af hoe BPL de pensioenpremies belegt en zorgt dat het zoveel mogelijk oplevert. “Het bestuur bepaalt het beleggingsbeleid waarmee zij de doelstelling van het fonds wil realiseren. Een zo goed mogelijk pensioen voor iedereen” antwoordt Jaco. “Wat betekenen de lage rentes voor mijn pensioen?” Jaco beaamt dat door de lage rente de dekkingsgraad onder druk staat. “De dekkingsgraad is een verhouding tussen de verplichtingen en het vermogen van het fonds. Dit hoeft niet per se slecht te zijn voor je pensioen. Pensioen is een zaak van lange termijn.” volgens Jaco.

Irene van der Aart en Adjust Bouwman improviseerden met statements van de avond. Zij speelden dat zij na hun pensioen down under gingen. Tot slot sloot Jeannette de avond af met een laatste stemming. Een groot deel van de aanwezigen gaat de UPO bekijken en de pensioenplanner invullen om te zien wat diverse keuzes betekenen voor later! Wijzigingen in je leven, je leefsituatie, bij een nieuwe baan, aankoop van een woning of bij scheiding hebben invloed op je pensioen.

Deze avond is mogelijk gemaakt door grote inzet van DAJK leden Adri van Bergen en Ellen Noordman, stichting PJS en BPL Pensioen. 

BPL wil de betrokkenheid van jonge werknemers bij hun pensioen en bij BPL vergroten. Eén van de initiatieven in dat kader is het project (Ver)Groen Pensioen, dat BPL in samenwerking met Plattelands Jongeren heeft opgestart. Met het project (Ver)Groen Pensioen werden jongeren ondervraagd, betrokken en geactiveerd bij hun pensioenvoorziening en BPL. Vervolgens bepaalde een verbetergroep de beste oplossingen. BPL Pensioen heeft met deze groep het beste idee uitgewerkt. Door het organiseren van een bijeenkomst die speciaal is toegesneden op jonge deelnemers.

 

Grondgebonden bedrijf toch afgeroomd bij bedrijfsoverdracht

Bij bedrijfsoverdracht worden de gegevens van de grond voor de wet fosfaatrechten niet overgenomen door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Dit blijkt in de praktijk. “NAJK vindt dit zeer zorgelijk, omdat de gevolgen voor melkveehouders en in het speciaal voor jonge melkveehouders, groot kunnen zijn. Een niet-grondgebonden bedrijf krijgt te maken met een generieke afroming bij de toekenning van fosfaatrechten in 2018. Wanneer de gegevens van grond niet worden overgenomen door RVO bij bedrijfsoverdracht, ontstaat een onterechte situatie,” aldus Bart van der Hoog, dagelijks bestuurder NAJK met de portefeuille melkveehouderij.

Bij een bedrijfsoverdracht na 2 juli 2015 en voor 1 januari 2018 neemt de nieuwe eigenaar ook fosfaatrechten over van het bedrijf. Hiervoor wordt de referentie, het aantal dieren op 2 juli 2015, overgezet naar het nieuwe bedrijf. Een bedrijf dat per 1 januari 2018 fosfaatrechten krijgt toegekend, wordt beoordeeld op de mate van grondgebondenheid in 2015. Hierbij wordt gekeken naar de fosfaatproductie van het bedrijf in 2015 en de fosfaatruimte in 2015. Van der Hoog: “Wanneer de gegevens van grond niet worden overgenomen is het onmogelijk om als grondgebonden te worden aangemerkt.”

Voorbeeld uit de praktijk

Bij NAJK zijn verschillende situaties bekend waaruit blijkt dat RVO onterecht een bedrijf aanmerkt als niet-grondgebonden. Een van die situaties is een maatschap tussen vader, moeder en bedrijfsopvolger die in 2015 grondgebonden was. Bij overname wordt het bedrijf omgezet in een eenmanszaak. Bij de overname door de jonge ondernemer is een nieuw KvK-nummer aangevraagd. De eenmanszaak krijgt alle fosfaatrechten toegekend maar de grondgegevens worden niet overgenomen door RVO. Hierdoor oordeelt RVO dat het bedrijf in 2015 nog niet bestond en daarom ook niet-grondgebonden was in 2015.

Kromme situatie vraagt om praktische oplossing

“Deze kromme situatie vraagt om een praktische oplossing. RVO en het Ministerie van Economische Zaken moeten dit zo snel mogelijk oplossen. Als de grond in de praktijk onder het bedrijf blijft, dan moeten ook deze gegevens overgenomen worden,” aldus Van der Hoog. “We moeten uitgaan van de juiste getallen. Zoals het nu is wordt het aantal bezwaren in de hand gewerkt terwijl dit niet nodig is.”

Van Heerikhuize winnaar MaisChallenge 2016

Op donderdag 9 februari 2017 maakte Jaco Geurts, landbouwpoliticus CDA de winnaar van de MaïsChallenge 2016 bekend. In deze derde editie van het kennisuitwisselingsproject draaide het om het zo efficiënt mogelijk telen van snijmaïs. Met het ras LG 31.235 won Jan van Heerikhuize de MaïsChallenge 2016. De competitie wordt georganiseerd door maïsveredelaar Limagrain in samenwerking met het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK).

Dat extra aandacht en kennis fors bijdragen aan de kostenefficiëntie van de teelt, bleek tijdens de prijsuitreiking op Aeres Hogeschool Dronten. Aan deze derde editie van de MaïsChallenge deden 47 jonge veehouders mee. De veehouders werden aan de hand van masterclasses en begeleiding door ruwvoerexperts van Limagrain en Flynth bijgestaan gedurende het groeiseizoen.

Maximale voederwaardeopbrengst

Na de opening door Jos Groot Koerkamp, veehouderijmanager bij Limagrain, blikte Hein Peeters, ruwvoerspecialist bij Limagrain, en Hans Scholte, bedrijfsadviseur bij Flynth, terug op het afgelopen seizoen. De deelnemers kregen een interessante kijk op de financiële kengetallen van ruwvoerteelt en maïs. Er bleken grote verschillen te bestaan in het saldo dat melkveehouders realiseren per hectare maïs. Dit blijkt grote impact te hebben op het bedrijfsinkomen. De MaïsChallenge is dit jaar gericht op een optimale teelt die leidt tot een maximale voederwaardeopbrengst.

Nek-aan-nekrace

Arie van Heerikhuize uit Lunteren mocht van Jaco Geurts, woordvoerder land- en tuinbouw in de tweede kamer voor het CDA, de hoofdprijs in ontvangst nemen: een geheel verzorgde studiereis naar Clermont-Ferrand, hét maïsproductiecentrum van Frankrijk en de bakermat van Limagrain. Met het ras LG 31.218 won Bert Peters uit Didam de tweede prijs, een smartwatch. De derde prijs, een Blue Ray Home Cinema Set, ging naar Chiel Kamphuis uit Geesteren. De prijzen zijn bepaald op basis van een totaalscore op: opkomst, oogst, in- en uitkuilmanagement, financieel rendement en betrokkenheid. De uitslag bleef tot het einde van de wedstrijd toe spannend en werd een echte nek-aan-nekrace. Bart van der Hoog, portefeuillehouder melkveehouderij bij NAJK sprak tot slot de deelnemers toe.

 

De drie winnaars MaïsChallenge 2016:

  1. Jan van Heerikhuize uit Lunteren
  2. Bert Peters uit Didam
  3. Chiel Kamphuis uit Geesteren

NAJK tegen afschaffing POR-regeling

In de Kamerbrief van vrijdag 3 februari 2017 over het fosfaatreductieplan maakte staatssecretaris Martijn van Dam bekend de zogenoemde Regeling Ontheffing Productierechten Meststoffenwet (POR-regeling) per 1 januari 2018 niet te verlengen. De afschaffing belemmert de ontwikkelingsruimte voor (jonge) boeren, NAJK is dan ook fel tegen deze beslissing.

De POR-regeling maakt het voor pluimvee- en varkenshouders mogelijk om hun bedrijf uit te kunnen blijven breiden. Vereiste is dan wel dat 100% mest wordt verwerkt en naar het buitenland wordt geëxporteerd. NAJK vind het afschaffen van de POR-regeling, net als LTO-Pluimveehouderij, Nederlands Organisatie van Pluimveehouders (NOP), Nederlandse Vakbond Pluimveehouders (NVP), LTO-Varkenshouderij en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) onacceptabel.

Ontwikkelingsruimte tegenwerken

De afschaffing heeft voor zowel de varkens- als pluimveesector zeer nadelige gevolgen. “Door de afschaffing werkt staatssecretaris Van Dam ontwikkelingsruimte tegen en wordt de continuïteit van het familiebedrijf op het spel gezet ”, aldus Ronald van Leeuwen, dagelijks bestuurder en portefeuillehouder intensief bij NAJK. “Productierechten zijn een financiële belemmering voor jonge boeren. Na bedrijfsovername is de financiële last het hoogst. Jonge ondernemers zijn niet in de positie om productierechten aan te kopen of te leasen. Ook zijn zij hier niet op voorbereid. De POR-regeling biedt momenteel mogelijkheden om het bedrijf te blijven ontwikkelen.”

Fosfaatreductiepakket nu echt van start

Afgelopen vrijdag 3 februari 2017 heeft staatssecretaris Van Dam van het ministerie van Economische Zaken laten weten de gesprekken met Brussel over het fosfaatreductieplan te hebben afgerond. Dit betekent dat het fosfaatreductiepakket van start kan gaan. “Het is een ingrijpende gebeurtenis voor jonge boeren, maar hierdoor is de derogatie in 2017 veilig gesteld”, aldus Bart van der Hoog, dagelijks bestuur NAJK met de portefeuille melkveehouderij.

NAJK heeft de afgelopen periode met het ministerie van Economische Zaken en andere sectorpartijen gewerkt aan een pakket van maatregelen om de fosfaatproductie door de melkveehouderij in 2017 fors te verminderen. Voordat de maatregelen van start konden gaan, moest de staatssecretaris deze eerst aan de Europese Commissie voorleggen. “Er is lang gewerkt aan het pakket en het heeft een tijd geduurd voordat Brussel akkoord gaf. Nu moet het pakket zich bewijzen”, aldus Bart van der Hoog. “Hoewel er nog een aantal onzekerheden zijn, zoals de bereidheid om daadwerkelijk te stoppen bij de huidige melkprijs van 35 cent, vertrouwt NAJK erop dat het pakket gaat werken.”

Huidige maatregelen

Het fosfaatreductiepakket bestaat uit drie maatregelen:

  1. Voerspoor melkveehouderij
    Het fosforgehalte in mengvoer wordt door de mengvoerbedrijven terug gebracht naar 4,3 gram per kilo of levert een fosfor/ruweiwit verhouding van 2,2. Deze maatregel is al per 1 januari 2017 in werking getreden.
  2. Fosfaatreductie door zuivelondernemingen
    Op alle bedrijven, behalve grondgebonden bedrijven, zal de veestapel moeten worden gereduceerd tot het niveau van 2 juli 2015 minus 4%. Wanneer een bedrijf hier niet aan voldoet, betaalt zij een heffing. Deze heffing wordt ingezet als beloning voor bedrijven die meer reduceren dan de doelstelling. Deze maatregel wordt opgenomen in een ministeriële regeling en gaat van start op 1 maart 2017.
  3. Reductie van de veestapel
    Melkveehouders die in 2017 stoppen met hun bedrijf komen in aanmerking voor een premie per dier dat zij wegdoen. Deze premie is een compensatie voor de gemiste opbrengsten en gemaakte kosten. De eerste openstelling van deze regeling is van 20 februari tot en met 3 maart 2017. Het premiebedrag voor de eerste openstelling is vastgesteld op € 1.200,- per koe. Daarna zullen er nog een aantal openstellingen komen, maar wordt de premie per dier lager.

Wijzigingen in plan

Het grootste verschil met het op 14 december 2016 gepresenteerde plan is dat de melkgeldregeling vervalt. Op dat moment was de verwachting dat de regeling zou worden uitgevoerd door ZuivelNL en de zuivelondernemingen. Om die reden is er destijds een keuze opgenomen tussen een heffing op melkgeld of GVE’s (grootvee-eenheid). Deze was nodig vanwege de statuten van zuivelondernemingen. Bij de ministeriële regeling is dat niet langer nodig.

Een ander belangrijk verschil is dat de regeling van toepassing is op alle bedrijven die vrouwelijke runderen houden, op vleeskalverbedrijven na. Ook niet-melk-leverende bedrijven vallen dus onder deze regeling. Deze regeling is toegevoegd om te voorkomen dat rundvee naar niet-melk-leverende bedrijven wordt verplaatst waardoor er geen reductie plaatsvindt. Een melk-leverend bedrijf krijgt een GVE-referentie gebaseerd op al het vrouwelijk rundvee. Voor niet-melk-leverende bedrijven is de GVE-referentie gebaseerd op alleen het jongvee. Bedrijven die al voordat de regeling ingaat minder GVE’s houden krijgen niet te maken met de heffing. Wel kunnen ze bij verdere reductie in aanmerking komen voor een bonus. Bedrijven met minder dan zes dieren en vleesveebedrijven die geen dieren hebben aangevoerd zijn ook vrijgesteld.

Derogatie 2018

“Dat de derogatie voor 2017 is veilig gesteld en het fosfaatreductiepakket van start gaat houdt niet in dat Nederland ook in 2018 opnieuw derogatie krijgt”, aldus Bart van der Hoog. Een gesprek over derogatie in 2018 kan alleen als het maatregelenpakket in 2017 effectief genoeg blijkt. Dan wordt voldaan aan de Europese regels.

NAJK: ambitie en prestatie belonen in nieuw GLB

Een beloning voor prestaties en steun voor jonge boeren en tuinders. Dit zou volgens de leden van het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) de kern moeten zijn van een nieuw te vormen Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2020.

Het huidige GLB loopt tot en met 2020. Met 2020 in het vooruitzicht start de gedachtevorming over de herstructurering. De afgelopen maanden discussieerden de leden van NAJK over de invulling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2020. De jonge boeren en tuinders willen graag een beleid waarin ambitie wordt beloond en waarbij geld, bedoeld voor het platteland, daar ook daadwerkelijk blijft.

Prestatievergoeding

Jonge boeren en tuinders omarmen het idee om de directe betalingen op termijn te vervangen door een prestatievergoeding. Voorwaarde hierbij is dat de prestatievergoeding gericht moet zijn op de productie van duurzaam geteelde, gezonde en veilige producten. “De Nederlandse jonge boer en tuinder is ambitieus en wil het geld van de overheid dat op hun erf terechtkomt kunnen verantwoorden”, aldus Iris Bouwers, dagelijks bestuurder bij NAJK met de portefeuille internationaal. “In de praktijk blijkt dat maar weinig jonge boeren enthousiast worden van het huidige systeem met de directe betalingen en vergroening. Daarom pleit NAJK voor een stelsel waarbij extra inspanningen voor bijvoorbeeld biodiversiteit worden gestimuleerd en geen verplichting is. Extra inzet voor bijvoorbeeld milieu, leefomgeving of duurzame productie verdient dan ook een passende beloning. Het is wel belangrijk dat dit gebeurt in een werkbaar systeem.” Bouwers geeft aan dat duurzaamheid in dit kader niet alleen betrekking heeft op biodiversiteit of milieu: “Ook bodemgezondheid is een belangrijk aspect van duurzaamheid. Wij, jonge boeren en tuinders, zijn tenslotte degene die ook over 20 of 30 jaar nog willen kunnen telen op onze bodem.”

Marktschommelingen opvangen

Verder spraken de NAJK-leden zich uit over het opvangen van marktschommelingen en de gevolgen van weersinvloeden. De jonge agrariërs vinden dat het zelf opvangen van de schommelingen in de markt horen bij het vak. Grote invloeden vanuit de geopolitieke hoek vormen hierop een uitzondering, zo vinden de jonge boeren. “Boeren kiezen heel bewust voor een vak met bijkomende ondernemersrisico’s. Ze zijn bijvoorbeeld afhankelijk van weeromstandigheden. Geopolitieke invloeden, zoals de Rusland-boycot, zijn echter situaties waar je als boer niets aan kunt doen. Daarom moet de overheid voor deze specifieke gevallen een passende oplossing bieden”, legt Bouwers uit. Wanneer er geen vangnet is, is het volgens NAJK essentieel dat er wel een passend aanbod in betaalbare verzekeringen en een goede uitvoering van taken van de waterschappen nodig is.

Landbouw- en voedselbeleid

Een gecombineerd landbouw- en voedselbeleid in plaats van een landbouwbeleid zien de jonge boeren en tuinders niet zitten. Bouwers: “Ook jonge boeren en tuinders zien dat landbouw en voedsel onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dit betekent niet dat een deel van het Europese landbouwbudget naar andere ketenpartijen moet gaan. Er ligt een verantwoordelijkheid bij ons als boeren en tuinders om op een eerlijke en open manier te communiceren over wat we doen, maar geld dat bestemd is voor landbouw en platteland moet daar wel blijven.” Volgens NAJK liggen in voorlichting en communicatie over voedsel dan ook taken voor het onderwijs en bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Ondersteuning jonge agrariërs

Jonge boeren en tuinders moeten ondersteund worden vanuit het GLB, ook als dit ten koste gaat van het budget van boeren en tuinders boven de 40 jaar, luidt het oordeel van de NAJK-leden. Bouwers: “Dit klinkt logisch, maar het is niet alleen belangrijk voor de jonge boeren en tuinders zelf. Verjonging en continuïteit van de landbouwsector zijn van groot belang voor de gehele samenleving. Als we ons platteland leefbaar willen houden en in Nederland gezond, veilig en duurzaam voedsel willen blijven produceren, is ondersteuning van jonge boeren en tuinders broodnodig!”