De visie voorbij

“In 2030 hebben agrarisch ondernemers een energieleverend en klimaatneutraal bedrijf. In 2030 werken boeren samen met collega’s uit andere sectoren en verstrekken zij exact de hoeveelheid grondstoffen die teelt en bodem nodig hebben. In 2030 bevorderen boeren de biodiversiteit en sluiten zij hun nutriëntenkringloop.”

Bovenstaande passage is, wellicht tegen de verwachting in, niet afkomstig uit de onlangs gepresenteerde visie van minister Schouten. Hij is te vinden in de voedselvisie van NAJK, gepubliceerd in 2016. Destijds geschreven op verzoek van het ministerie van Economische Zaken, waar landbouw toebehoorde.

Eigenlijk zegt de hierboven geciteerde passage al genoeg. Waar termen als biodiversiteit, kringlooplandbouw of natuurinclusiviteit in het verleden slechts veelvuldig gekoppeld werden aan biologische of kleinschalige landbouw, lijkt dit te gaan veranderen.

Het is niet gek dat de visie van Schouten en de visie van NAJK zoveel overeenkomsten vertonen. Bestuur en leden van NAJK zetten zich nu al zo’n 40 jaar in voor toekomstbestendig beleid, om tot een duurzame landbouwsector te komen. Want NAJK pleit niet alleen voor betaalbare bedrijfsovername, een betere jongelandbouwersregeling (JOLA) of een hogere top-up. NAJK focust op ruimte voor ondernemerschap, innovatie en bovenal op toekomstbestendigheid. Wellicht is dat samen te vatten in het containerbegrip duurzaamheid.

Want duurzaam, dat is hetgeen je wilt en moet zijn als je niet alleen volgend jaar, maar ook over 30 of 40 jaar (nog) boer wilt zijn in Nederland. Waar beleid jarenlang heeft aangestuurd op kostenverlaging en productieverhoging, blijkt het steeds lastiger voor de (jonge) boer om binnen dit systeem succesvol te zijn. De vaak gebruikte definitie van duurzaamheid, die de nadruk legt op de “3 P’s” (people, planet, profit), is hier dan ook niet mee te rijmen.

NAJK wil graag dat de termen biodiversiteit, kringlooplandbouw en natuurinclusiviteit standaard gekoppeld worden aan de gehele landbouwsector. Omdat agrarisch ondernemers op alle “P’s” zullen moeten excelleren, om ook in de toekomst te kunnen en mogen produceren in Nederland.

Daar is wel wat voor nodig. Een stip op de horizon, die de minister volgens mij in haar visie heeft gezet. Leiderschap, dat de minister de komende jaren zal moeten tonen, om de stakeholders in de sector de juiste kant op de krijgen. En last but not least: de bereidheid tot samenwerken. Ik hoop ontzettend dat sectorpartijen, ketenpartijen en NGO’s de komende jaren bereid zijn minder te schreeuwen en meer te luisteren. De toekomstbestendigheid van de Nederlandse land- en tuinbouw is in ons aller belang. Voor people, planet en profit.

_____________________________________________________________________________________________________________

Iris Bouwers

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Iris Bouwers (22) verantwoordelijk voor de portefeuille internationaal. Iris is ook gemeenteraadslid voor CDA Dronten en combineert deze functies met haar studie agrarische bedrijfskunde en het werk op varkens- en akkerbouwbedrijf.

Frustratie

De berichtgeving rondom gewasbeschermingsmiddelen heeft bij veel akkerbouwers erg veel frustratie veroorzaakt. Bijvoorbeeld het verbod op de toelating van een aantal neonicotinoïden waarvoor op dit moment geen geschikte alternatieven zijn. Maar ook de onderzoeken over de zogenaamde insectensterfte in natuurgebieden waarvan de landbouw wel heel gemakkelijk als hoofdschuldige wordt aangewezen. Dit levert bij ons als akkerbouwers logischerwijs enorme frustraties op. Want de bedrijfsvoering wordt ons op deze manier steeds moeilijker gemaakt en we worden ook nog eens onterecht in de beklaagdenbank gedrukt. Bovendien worden er wel lukraak producten uit landen buiten Europa geïmporteerd waar ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelengebruik niet zo nauw wordt gekeken. Daarnaast is er de kloof tussen burger en consument. De burger wil een product waarop geen bewerkingen nodig zijn geweest en de consument wil een piekfijn product voor een zo laag mogelijke prijs. Dit wringt aan alle kanten en zet ons als telers in een spagaat. De frustraties over deze ontwikkelingen zijn niet zomaar weg te nemen. Dat heb ik ook gemerkt tijdens een overleg over dit onderwerp met een aantal jonge akkerbouwers namens NAJK. De boosheid hing als een donkere wolk boven deze bijeenkomst. Het bleek niet makkelijk om hier overheen te stappen en tot een bredere toekomstvisie over gewasbeschermingsmiddelengebruik te komen. De gemoederen zijn bij veel akkerbouwers dusdanig hoog opgelopen dat velen van hen in een defensieve houding terecht dreigen te komen die moeilijk omkeerbaar is. Maar we schieten hier alleen niks mee op. Hoewel we ons best doen op het gebied van innovatie plukken we hier niet de vruchten van. Dat er innovaties op het gebied van gewasbeschermingsmiddelengebruik blijven komen is en blijft natuurlijk belangrijk. Zolang het werkt, rendabel is en een lage milieu-impact heeft. Het probleem is dat deze ontwikkelingen door de buitenwereld niet gezien en begrepen worden. De maatschappij leest en ziet nog steeds dat er middelen gebruikt worden en heeft er haar oordeel over. Daarom moet de sector het heft weer in eigen handen nemen en de frames weer zelf gaan neerzetten. Frames die nu bepaald worden door partijen die ver van de praktijk af staan. Op dit moment wordt de politieke besluitvorming ook gevoed door deze frames. Hiertegen klagen of bezwaar maken heeft geen zin en is slechts symptoombestrijding. Een goede aanzet is dan ook de publiekscampagne die deze week is gestart met de Dag van de akkerbouw. Maar daarnaast moet er meer gebeuren en dit met elkaar volhouden. Juist ook voor NAJK ligt hier een mooie mogelijkheid hierin een rol te spelen en de trots te benadrukken waarvoor we iedere dag aan het werk zijn!


Doeko van ‘t Westeinde

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Doeko van ’t Westeinde verantwoordelijk voor de portefeuille akkerbouw. Doeko combineert deze functie met het werk op zijn akkerbouwbedrijf in Nieuweschans.

Jonge boeren, verenigt u

Afgelopen week publiceerde de Volkskrant een ingezonden stuk van Monique Jansen over de uitstoot van de veehouderij. Ze gaf aan dat het gemakkelijk is om naar de veehouderij te wijzen wanneer het gaat om het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen, maar dat dit niet per se dé oplossing is.

Ze schetste een aantal transities: in 1980 waren er in Nederland 2,4 miljoen melkkoeien, 14 miljoen mensen, 4 miljoen auto’s en 185 duizend vliegbewegingen op Schiphol. In 2016 waren er nog maar 1,7 miljoen melkkoeien, maar hebben we wel 17 miljoen mensen, 12 miljoen auto’s en 480 duizend vliegbewegingen op Schiphol.

Een helder signaal, zou je denken. Maar dat bovenstaande feiten, naast alle wet- en regelgeving waar de landbouwsector al mee dealt, ervoor zorgen dat de sector al sterk verduurzaamd is, wordt deze week weer compleet ondergesneeuwd door een artikel van een aantal onderzoekers in de Groene Amsterdammer.

Er wordt, uiteraard door mensen met een grote afstand tot de sector, naar hartelust afgegeven op de intensieve veehouderij, uitstoot, maar ook het GLB wordt er bijgehaald. Zo is het volgens de onderzoekers te gemakkelijk om te voldoen aan de vergroening, heeft de Europese Commissie te weinig informatie om te controleren of boeren zich aan regels houden en stimuleert subsidie vanuit het GLB de toename van intensieve veehouderij.

Ten slotte komt er natúúrlijk een biologische boer aan het woord die het wél begrijpt. De ondernemer in kwestie stoot (blijkbaar) niets uit en heeft zeker nooit subsidie aangevraagd. De boer in kwestie: “We moeten van de grootschalige productie af. Grootschalige megastallen horen niet in Nederland. De aarde wordt te zwaar belast, we vervuilen de grond met te veel mest.”

Wat mij betreft is bovenstaand weinig constructief. We zullen de uitdagingen echt samen aan moeten gaan, het (wellicht onbewust) positioneren van biologische tegenover gangbare landbouw werkt simpelweg niet. Gun een ieder, binnen de menselijke maat, wanneer er draagvlak is, z’n verdienmodel.  “Jonge boeren, verenigt u”!


Iris Bouwers

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Iris Bouwers (22) verantwoordelijk voor de portefeuille internationaal. Iris is ook gemeenteraadslid voor CDA Dronten en combineert deze functies met haar studie agrarische bedrijfskunde en het werk op varkens- en akkerbouwbedrijf.

Akkerbouwonderzoek voor iedereen beschikbaar

Eindelijk is het zover! Gezamenlijk gefinancierd onderzoek voor en door alle akkerbouwers wordt na lang lobbyen mogelijk. Er moet alleen nog een stap gezet worden waarvoor jullie inzet keihard nodig is!

De Nederlandse akkerbouw moet een innovatieve sector blijven en daar hoort een goed onderzoeksprogramma bij. We hebben een goed netwerk aan kennisinstellingen en proefbedrijven in de Nederlandse landbouw. Al van oudsher vormen deze proefbedrijven de schakel tussen de theoretische kennis en de boerenpraktijk. Als we naar de akkerbouw kijken kennen we allemaal wel één of meerdere proefbedrijven waar vaak bijeenkomsten gehouden worden en waar praktijkproeven bekeken kunnen worden. Vaak zeer interessant. Je leert nieuwe dingen die op het eigen bedrijf in de praktijk gebracht kunnen worden.

De laatste jaren wordt echter steeds meer onderzoek op de proefbedrijven door commerciële bedrijven gefinancierd. Dit is noodzaak voor de proefbedrijven om in de benen te blijven, maar voor ons als telers wordt het steeds minder interessant. Dit omdat de resultaten meestal niet openbaar gemaakt worden. Veel van het onderzoek dat wel openbaar gemaakt wordt, werd gefinancierd door het vroegere Productschap Akkerbouw. De onderzoeksresultaten werden op een overzichtelijke manier gebundeld via onder andere Kennisakker. Nadat het Productschap opgeheven is in 2014, doet de Brancheorganisatie Akkerbouw haar best dit gat op te vullen. Het is dan ook een geweldige opsteker dat het ministerie ons een algemeenverbindendverklaring heeft afgegeven. Hierdoor is het mogelijk dat alle akkerbouwers in Nederland wettelijk verplicht bij moeten dragen aan gewasoverschrijdend onderzoek.

Een volgende stap is hoe de financiering in de praktijk geregeld moet worden. BO akkerbouw is ruim twee jaar met het ministerie over dit onderwerp in gesprek geweest. Het ging over hoe we ervoor kunnen zorgen dat alle akkerbouwers in Nederland op een eenvoudige maar betrouwbare manier kunnen meebetalen aan onderzoek en innovatie in de akkerbouw. De wens van de sector was om dit via de opgegeven areaalgegevens bij de Gecombineerde Opgave te laten lopen. Het ministerie heeft dit echter continu afgehouden vanwege privacy redenen. Ondertussen heeft BO toch een groot onderzoekspakket opgesteld dat tot en met 2020 moet lopen. Denk aan bemestingsonderzoek, bodemonderzoek en onderzoek ter bevordering van weerbare teeltsystemen. Al deze onderzoekswensen komen uit de praktijk en zijn gewasoverschrijdend. Maar ondertussen loopt de uitvoering hiervan grote vertraging op, omdat de financiering nog niet geregeld is.

Onlangs heeft het ministerie eindelijk ingestemd met de areaalopgave via RVO. De koppeling per teler gaat echter niet automatisch. Telers moeten zelf een vinkje zetten om je areaalgegevens te delen met de BO. Vanaf 1 maart kan de Gecombineerde Opgave weer ingediend worden. Mijn oproep is dan ook: zet allemaal het vinkje want we zijn gebaat bij een langlopend en praktijkgericht onderzoekspakket met resultaten die openbaar blijven! Daar pluk jij straks ook de vruchten van.


Doeko van ‘t Westeinde

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Doeko van ’t Westeinde verantwoordelijk voor de portefeuille akkerbouw. Doeko combineert deze functie met het werk op zijn akkerbouwbedrijf in Nieuweschans.

Jonge boer en tuinder: KIES WIJS!

Een jaar geleden gebruikte we de slogan ‘Jonge boer en tuinder, kies wijs’, om de Tweede Kamerverkiezingen onder de aandacht te brengen. Inderdaad, de Tweede Kamerverkiezingen werden alweer een jaar geleden gehouden, maar door de lange formatie lijkt het nog maar kort geleden. Op 21 maart staan de volgende verkiezingen voor de deur: de gemeenteraadsverkiezingen.

Het lijkt wellicht een open deur, maar ook deze verkiezingen zijn weer belangrijk voor de toekomst van jouw bedrijf. Immers waar de Tweede Kamer gaat over landelijke onderwerpen die impact hebben op al onze bedrijven, gaat de gemeente over de mogelijkheden op jouw locatie. Zo stelt de gemeenteraad onder andere periodiek een bestemmingsplan op. In dit plan worden zaken geregeld als grootte en vorm van bouwkavels, bouwvoorschriften en mogelijkheden tot verbreding op bepaalde locaties. Een heel ander onderwerp waar men zich mee bezig houdt is de leefbaarheid op het platteland en de bijbehorende voorzieningen. Dit staat misschien iets verder van je bedrijf af, maar uiteindelijk heeft het wel invloed op je eigen welbevinden en die van jouw omgeving.

Ik raad het dan ook aan om je te verdiepen in de partijprogramma’s in jouw gemeente. Heeft de lokale afdeling dezelfde standpunten als de landelijke afdeling van dezelfde partij? En waar staat die ene lokale partij voor? Staan er ook personen op de kieslijst die de agrarische sector een warm hart toe dragen? Gelukkig zien we op verschillende kieslijsten ook leden van NAJK staan. Jongeren die de handschoen oppakken en willen strijden in de lokale politiek voor de een mooie toekomst in hun eigen gemeente.

Er valt dus weer veel te kiezen op 21 maart. Kies dus ook voor het belang van de toekomst van jouw bedrijf op jouw locatie. Kortom, jonge boer of tuinder: KIES WIJS!


Andre Arfman

Als voorzitter van NAJK is Andre Arfman druk voor de agrarische jongeren. Dit combineert hij met zijn baan bij Alfa Accountants en het werk op het melkveebedrijf in Vorden.

 

Storm in een glas water

‘Veehouderij moet fijnstof verminderen’, ‘omwonende veehouderijen hebben meer longklachten’ en ‘hoge concentraties mensen en beesten bij elkaar is ongezond’, kopte een aantal artikelen van de NOS in juli 2017.

Organisaties en individuele ondernemers in de intensieve veehouderij zullen direct toegeven dat bij het houden van vee emissies ontstaan waaronder fijnstof. Dat is ook niet gek, waar dieren worden gehouden, op welke schaal dan ook, zijn emissies. De vraag is dan ook niet of deze emissies er zijn maar hoe deze kunnen worden ondervangen, dan wel worden beperkt.

In tal van initiatieven verenigd de sector zich opzoek naar een oplossing. Voor een deel zijn deze oplossingen al praktijkrijp, voor het andere deel zijn deze nog in onderzoek maar wat telt is dat men verantwoordelijkheid neemt.

Krantenkoppen en artikelen als bovenstaand vind ik niet passen bij een sector die zich zo in spant voor zijn omgeving. Er wordt geïnsinueerd dat de sector achteroverleunt en dat schaalgrote een direct verband heeft met uitstoot en de gevolgen hiervan op de omgeving. Ik durf te stellen dat we als sector zeker niet achteroverleunen en dat wij hier ons ook altijd hard voor moeten maken. Natuurlijk is het niet makkelijk om in financieel lastige jaren ook nog te moeten investeren in emissiereducerende technieken. Maar we moeten ons als sector blijven realiseren dat we dit nodig hebben voor onze ‘licence to produce’. Wie in de toekomst boer wil blijven, zal niet alleen de beste technische resultaten en de maximale winst moeten nastreven maar zal zich ook moeten blijven realiseren dat draagvlak bij de omgeving nodig is.

Hierbij is het extreem moeilijk te merken dat onze inzet door de omgeving niet gezien lijkt te worden. Men ziet grote stallen waarvan men geen idee heeft wat zich binnen afspeelt en heeft geen idee wat er gedaan wordt om overlast te beperken. De media draagt hier op bovenstaande wijze haar steentje goed aan bij.

Nu wil het geluk maar ook de pech dat er begin februari een artikel verschijnt waarin er gewezen wordt dat de uitstoot van intensieve veebedrijven veel lager is dan men altijd heeft gedacht. Een artikel van de Telegraaf kopte zelfs ‘Geen verband tussen longproblemen en platteland’. Uit een onderzoek van de gezondheidsraad blijkt de oorzaak van de longproblemen onduidelijk te zijn. Dit is natuurlijk mooi nieuws voor onze sector maar eigenlijk komt het te laat. De toon is gezet en wanneer het gaat om longproblemen op het platteland zal er altijd gewezen blijven worden naar de intensieve veehouderij. Een slechte naam veroorzaakt door een storm in een glas water. Als sector is het onze taak er alles aan te doen de schade van deze storm te beperken. Enerzijds door de juiste stappen te zetten binnen je bedrijfsvoering, anderzijds juist door te laten zien welke stappen je al gezet hebt en trots te zijn op ons mooie gezonde sector.


Stijn Derks

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Stijn Derks verantwoordelijk voor de portefeuille intensief. Stijn combineert deze functie met het werk op het pluimvee- en akkerbouwbedrijf.

Tuinbouw veroorzaker van aardbevingen?

Afgelopen woensdag 7 februari stond een artikel in het Algemeen Dagblad met als titel ‘De kas moet van het gas. Maar hoe?’. De Nederlandse tuinbouw, hoe duurzaam ook, zou grootverbruiker zijn van het Gronings gas. Indirect is de tuinbouw dus wellicht verantwoordelijk voor veel schade aan gebouwen, emotioneel letsel en financiële fiasco’s in Groningen. Waar of niet, schuldig of niet; in de glastuinbouw wordt een opmerkelijk grote hoeveelheid gas verbruikt. Het zou mij dan ook niet verbazen als enkele glastuinbouwbedrijven al een brief hebben ontvangen van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat waarin hun medewerking wordt gevraagd om voor 2022 op andere energie over te stappen.
License to produce is inmiddels een maatschappelijke verantwoording van elk bedrijf. Onderdeel hiervan is om zo te telen dat men het milieu zo minimaal mogelijk schaadt en er zoveel mogelijk resources overblijven voor de generatie na ons.
Ondanks dit is het essentieel om kassen te verwarmen, zeker op koudere dagen. Duurzame warmte heeft hier maatschappelijk gezien de voorkeur. Projecten als aardwarmte en plannen om in de toekomst een warmterotonde te gaan gebruiken worden door iedere kweker omarmt. Gelukkig lopen er al verschillende initiatieven en speelt ook het nieuwe telen een grote rol bij het verminderen van gasverbruik. De Nederlandse glastuinbouw is de weg naar duurzame warmte reeds jaren geleden ingeslagen, simpelweg omdat zowel het milieu, als duurzaam telen en een rendabele teelt van essentieel belang zijn om een bedrijf te runnen. Laten we deze weg voortzetten en zorgen dat de voegen van Groningen blijven zitten waar deze zitten!

 


Jan Paauw

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Jan Paauw verantwoordelijk voor de portefeuille tuinbouw. Dit combineert hij met zijn baan bij de buitendienst van GMN, een adviserings- en verkoopbedrijf aan telers.

Het 6e actieprogramma Nitraatrichtlijn, van generiek naar specifiek: een goede zaak!

De winter is voor mij een goede tijd om over het volgende teeltseizoen na te denken. Hoe ga ik de bemesting dit jaar anders doen? Misschien meer met vaste mest in plaats van drijfmest of kunstmest werken? Heeft het nut om meer met groenbemesters te gaan werken? Ik gebruik daar soms handige programmaatjes voor om dingen door te rekenen. Deze programma’s zijn echter wel gebonden aan de mestregelgeving en laat deze nu voor de komende jaren weer op de schop gaan. Regelgeving waarvan ik vroeger dacht: wie heeft het bedacht? En hoe kunnen ze het bedenken? Nu heb ik er in de praktijk mee te maken. Waarom zijn er zo veel beperkingen en verplichtingen?

Vlak voor de kerst is door minister Schouten het 6e actieprogramma Nitraatrichtlijn aangeboden. Dit programma zal onder andere het Nederlandse mestbeleid gaan bepalen voor de komende vier jaar. In dit programma staan de maatregelen die Nederland gaat nemen om de uitspoeling van stikstof en fosfaat naar het grond- en oppervlaktewater te beperken. Op dit moment voldoet Nederland nog niet aan de Europese eis van 50 mg nitraatuitspoeling via het grondwater. Dit speelt specifiek op bouwlandpercelen in het zandgebied in zuid Nederland en het lössgebied. Daarnaast kijkt Europa streng toe op de uitspoeling van nutriënten naar het oppervlaktewater. Dit is in een veel groter deel van Nederland aan de orde, daar moet aan gewerkt worden.

Juist voor het zuidelijk zand en lössgebied gaan extra regels gelden die de uitspoeling van nutriënten via grondwater moet voorkomen. Zo zal er in het zuiden na de teelt van aardappels voor 31 oktober een vanggewas gezaaid moeten worden en de bemestingsnorm voor groenbemesters zal gehalveerd worden na de teelt van een uitspoelingsgevoelig gewas. Dit zijn enkele maatregelen die direct de boerenpraktijk raken en kosten met zich meebrengen. Ik vraag me sterk af of de maatregelen altijd daadwerkelijk het gewenste effect hebben. De meest ingrijpende maatregel is misschien wel de verplichte rijenbemesting in maïs vanaf 2021 op alle zand- en lössgronden. NAJK heeft voorgesteld om rijenbemesting alleen te verplichten op gronden waar werkelijk een hoge uitspoeling gemeten wordt, namelijk het zuidoostelijk zandgebied. Dit voorstel is echter niet aangenomen. Ook voor ruggenteelten gaat er iets veranderen: er zal een blokkade aangelegd moeten worden om afspoeling van het perceel tegen te gaan. Een blokkade in de vorm van een geul of sleuf rondom het perceel is nu ook toegestaan.

Juist voor akkerbouw is specifiek beleid belangrijk. Als teler moet je kunnen bemesten naar gewasbehoefte en grondsoort. Ik ben dan ook blij met de extra klasse voor de fosfaatnorm. De stap naar het compleet in beeld brengen van de in- en uitgaande mineralenstromen is nog niet gezet. Op deze manier wordt ieder bedrijf geprikkeld om zo efficiënt mogelijk met de bemesting om te gaan. Dit lijkt mij een goede richting. Het 6e actieprogramma vind ik in z’n totaliteit dan ook een stap in de goede richting om problemen die regionaal spelen aan te pakken.


Doeko van ‘t Westeinde

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Doeko van ’t Westeinde verantwoordelijk voor de portefeuille akkerbouw. Doeko combineert deze functie met het werk op zijn akkerbouwbedrijf in Nieuweschans.

Toegang tot land

Column 1/3 | Ondersteuning jonge boeren

Er is een top 3 van zaken waar jonge ondernemers behoefte aan hebben: 1) toegang tot land; 2) toegang tot kapitaal en 3) kennisontwikkeling. In deze eerste column van de reeks ga ik in op toegang tot land.

Startende jonge boeren ervaren de beschikbaarheid van grond als grootste drempel om te starten. Het begint al voor de bedrijfsovername. Grond maal € 64.000,- per hectare drukt hard op de balans. Een bedrijf overnemen vraagt om veel kapitaal. Laat staan wanneer je extra hectares bij wilt kopen. Een externe verkoper zal wellicht minder vriendelijk zijn in het vaststellen van de hectareprijs dan je eigen ouders. Maar grond is wel nodig. De maatschappij stuurt immers naar een meer extensieve manier van landbouwbedrijven of naar meer weidegang. Als jonge ondernemers geen grond kunnen kopen, blijven de mogelijkheden van pachten of huren over. Het liefst tegen een prijs waarmee er nog een inkomen overblijft.

Namens NAJK mag ik in gesprek met verpachters en organisaties die verpachters vertegenwoordigen. Wat opvalt is het grote onrecht dat verpachters zich aangedaan voelen. Ze kopen dure grond, drukken de grondprijzen omhoog, klagen dat ze daarom veel vermogensrendementsheffing moeten betalen (1,2% x € 64.000,- is € 768,-) en dat er daarom weinig overblijft van de pacht die ze ontvangen. Als ‘wij’ ze helpen de vermogensrendementsheffing te verlagen willen ‘zij’ genoegen nemen met een lagere pachtsom. De omgedraaide wereld. De prijs van grond staat volledig los van de pachtprijs die een landbouwer kan betalen. Dat is het niveau waar de pachtprijs bij een schaarse grondmarkt naar toe beweegt en overstijgt. Het zou veel beter zijn de vermogensrendementsheffing op landbouwgrond fors te verhogen. Zo wordt het kopen van landbouwgrond door particulieren minder aantrekkelijk. Dan verliest de grote ballon op de grondmarkt wat lucht en dalen de grondprijzen tot een lager niveau. Door de lagere waarde hoeft de particulier ook nog eens over een lager bedrag vermogensbelasting te betalen (al bevind ik mij met die laatste zin op hetzelfde niveau als verpachters).

Waar het mij om gaat is dat uitmelkerij van grond niet meer van deze tijd is. Iedere landbouwer wil investeren in goede grondkwaliteit, met een vruchtbare bodem, hoge organische stof, veel waterbergend vermogen en weinig uitspoeling van mineralen. Echter, bij hoge pachtprijzen is er op korte termijn maar één manier om de pacht rendabel te maken. Dat zijn hoog intensieve en risicovolle teelten, met als gevolg een hoge belasting op de grond. Ten eerste is het voor jonge boeren zonder veel extra kapitaal niet mogelijk met zulke hoogrenderende intensieve teelten te starten en ten tweede moeten ze dit niet eens willen als de grond vervolgens geen tijd krijgt te herstellen. Misschien geluk bij een ongeluk, dat je een opstart van een bedrijf zonder zekerheden niet eens gefinancierd krijgt.

Ik was blij met de instemming van alle pachtpartijen dat er flankerend beleid moet komen om toegang tot pachtgrond door jonge boeren te bevorderen. Ik vind het jammer dat verpachters de insteek hebben dat hun vermogensbelasting op alle gronden, zowel kort als langdurig verpacht, zo laag mogelijk moet zijn. Dat doet geen recht aan de wens van de maatschappij om op een volhoudbare wijze landbouw te bedrijven. Ik pleit voor het verder verlagen van belasting voor verpachters die grond in reguliere pacht uitgeven, bij voorkeur aan jonge landbouwers en starters, en verder verhogen van belastingen voor degenen die enkel kort verpachten en door de hoofdprijs te vragen de grond uitmelken. Voor de belastingdienst maakt het per saldo niet uit. De (jonge) boer heeft langdurig zekerheid over de grond en kan erop financieren en investeren, de verpachter wordt fiscaal beloond wanneer hij zijn grond op een verantwoorde wijze uit gebruik geeft en het klimaat plukt de vruchten van een beter bodembeheer. Hoog tijd om te denken in het belang van het klimaat en de jonge boer.


Sander Thus

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Sander Thus verantwoordelijk voor de portefeuille bedrijfsovername. Dit combineert hij met zijn werk op het vleesvarkens- en akkerbouwbedrijf in Wehl.

Melkveehouders, ga online!

Contact maken met de consument. Als u het mij vraagt dé uitdaging van de zuivelindustrie in deze tijd. Gelukkig is er geen hogere wiskunde nodig om de brug te slaan. Een smartphone en Facebook-, Instagram- of Twitter-account is al voldoende!

Kunt u nog zonder smartphone en social media? Ik niet, moet ik bekennen. Zowel zakelijk als privé ben ik er de nodige tijd aan kwijt. Graag zou ik zien dat andere melkveehouders dat ook zouden doen. Facebook, Instagram en Twitter zijn namelijk krachtige tools om te communiceren met de consument. En dat is hard nodig.

Investeren in communicatie

De maatschappij is steeds minder goed op de hoogte van het reilen en zeilen van de zuivelindustrie. In de krant leest men over antibiotica, mestbeleid en dierenwelzijn, maar weten wat er écht speelt? Dat bereikt de consument maar mondjesmaat. Spijtig, want melkveehouders hebben een mooi en eerlijk verhaal te vertellen. Willen we als zuivelsector blijven floreren, dan is het van belang dat de maatschappij ons verhaal kent én waardeert. Fors investeren in communicatie is daarbij essentieel.

Likes voor koeien

Het mooie is: in feite kan iedere melkveehouder die verbinding met de consument maken. Simpelweg door vaker social media in te zetten. Het grote voordeel van een medium als Instagram is dat het een laagdrempelige vorm van communiceren is, maar een grote impact kan hebben. Zet eens een foto online van koeien die voor het eerst weer de wei in mogen. Wedden dat u in een mum van tijd vele ‘likes’ krijgt? Bovendien krijgt de Nederlandse consument zo spelenderwijs weer binding met onze prachtige zuivelproducten.

Toon de kracht van zuivel

Dus melkveehouders van Nederland; laten we wat vaker tijdens werktijd de telefoon erbij pakken en consumenten een kijkje geven in onze keuken. Goed voorbeeld doet volgen. Dit is hoe ik het verhaal van Nederlandse zuivel op Instagram vertel! Of kijk eens op de Facebookpagina van het Brabants Agrarisch Jongeren Kontakt (BAJK). Daar lees en zie je alles over de dagelijkse gang van zaken van trotse jonge boeren. Een mooi voorbeeld van hoe het ook kan!


Bart van der Hoog

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Bart van der Hoog verantwoordelijk voor de portefeuille melkveehouderij. Bart combineert deze functie met het werk op het melkveebedrijf in Enspijk.