Van traditie naar ambitie

Ook mijn jaar staat volledig in het teken van het agrarisch gezinsbedrijf. Toen bekend werd dat de Verenigde Naties dit onderwerp kozen wist ik: daar wil ik mee aan de slag. Nederland is bij uitstek het land van de agrarische gezinsbedrijven. Nederland is op agrarisch gebied ook koploper. Voor jonge boeren en tuinders is de samenhang tussen die twee gegevens van groot belang. Jonge boeren en tuinders staan immers aan het begin van de ontwikkeling van hun eigen bedrijf. Zal dat een gezinsbedrijf zijn? Of doet de jonge boer er, met het oog op de toekomst, misschien verstandiger aan om de traditie los te laten? Ik ben het afgelopen jaar op zoek gegaan naar de antwoorden. Het was een interessante reis waarin ik veel verschillende visies op de toekomst van het agrarisch gezinsbedrijf ben tegengekomen.

Ik sprak met de wetenschappers. Zij spraken over de wijze waarop de rol van het gezin in het bedrijf is veranderd. De wetenschappers schetsten hoe het boerenbedrijf door de jaren heen een andere positie kreeg: binnen het gezin, in de samenleving en op de markt van vraag en aanbod. Zij twijfelen of het huidige gezinsbedrijf, bestaande uit een bedrijf met één gezin, op één locatie, nog lang zal kunnen blijven bestaan.

Ik sprak met de agrarisch ondernemers. Deze ondernemers bleven steeds benadrukken dat het gezinsbedrijf meer is dan alleen het bedrijfsmodel. Boeren en tuinders wezen mij op de waarde van het gezinsbedrijf als het fundament van hun familiegeschiedenis. Zij spraken met mij over hoe sterk hun bedrijf geworteld is in hun omgeving en hoe bedrijf en omgeving zich in samenhang hebben ontwikkeld.

Ik sprak met de bankiers.  Zij rekenden mij het toekomstperspectief van het gezinsbedrijf voor. Spraken over kostprijs, schaalvergroting, onze positie op de wereldmarkt en het vasthouden van de koploperspositie die de Nederlandse land- en tuinbouw nu heeft.

Ik sprak met de agrarisch adviseurs. De adviseurs gaven mij inzicht in de rol die gezinsleden in het bedrijf vervullen. De waarde van hun inzet en geduld. Zij lieten zien dat het ‘bedrijfsmodel’ van het gezinsbedrijf alleen kan bestaan bij een samenwerking die zo nauw en onbaatzuchtig is, dat je dat alleen in een gezin zal vinden.

Al deze gesprekken lieten mij inzien: er zal iets gaan veranderen. Het agrarisch gezinsbedrijf zoals wij dat nu kennen biedt geen perspectief. Jonge ondernemers staan voor een nieuwe realiteit. Tijd voor de volgende vraag dus: wat dan wel? Hoe combineren wij de ‘zachte’ en ongrijpbare waarden van het gezinsbedrijf met de harde werkelijkheid van het ondernemerschap? De agrarisch ondernemers van de toekomst, de jonge boeren en tuinders, zullen daar nu al een oplossing voor moeten bedenken.

De afgelopen maanden vormden een opmaat voor het moment waarop alles rondom dit bijzondere jaar samenkomt. Het blijkt noodzakelijk om de kennis die we de afgelopen tijd hebben opgedaan en de discussies die we hebben gevoerd om te zetten in nieuwe perspectieven. Op 20 november zetten we de volgende stap. We organiseren, speciaal voor jonge boeren en tuinders uit Nederland, een groot symposium in Utrecht. We blikken samen terug op de belangrijke functie die het gezinsbedrijf generaties lang op het agrarische bedrijf bekleedde, maar we kijken ook vooruit: hoe toekomstbestendig is de huidige vorm van het gezinsbedrijf? En vervolgens: wat gaan we daar mee doen?

Inge van Schie
dagelijks bestuur NAJK, portefeuille internationaal

Gezinsbedrijf heeft sleutel in handen

Ga het bij jezelf eens na: hoe vaak heb je moeten uitleggen waar je dagelijks mee bezig bent? Dat je met liefde en passie werkt in een modern varkensbedrijf waar dierenwelzijn hoog in het vaandel staat? Hoe vaak ben je gestuit op onwetendheid, misverstanden, vooroordelen of kritiek?

Te vaak en onterecht, durf ik te stellen, en dat terwijl er overal wordt gesproken over het belang van maatschappelijk draagvlak en de noodzaak om de veehouderij in Nederland toekomstbestendig te houden. Maatschappelijk draagvlak en ‘de consument’ zijn vaak abstracte begrippen die ver van de gemiddelde ondernemer af lijken te staan: zullen ‘zij’ ooit snappen wat ‘wij’ doen?

Maatschappelijk draagvlak is niet altijd ver weg. Het is de steun die je krijgt uit je directe omgeving als je een aanvraag doet voor een vergunning, het enthousiasme waarmee kinderen aan vriendjes en vriendinnetjes vertellen dat zij thuis een boerderij hebben. Het is ook jouw dorpsgenoot die in de buurtsupermarkt kiest voor jouw product.  Maatschappelijk draagvlak begint dichtbij je bedrijf  en soms lijkt jouw bijdrage daaraan zo klein of vanzelfsprekend dat je het waarschijnlijk niet eens opmerkt.

De kennis over de varkenshouderij, of van andere agrarische sectoren in Nederland, is bij de gemiddelde consument klein. Een aantal decennia geleden had iedereen wel een familielid met een boerderij. Ook stond er op elke boerderij wel een varken. De ontwikkelingen die in loop der jaren hebben plaatsgevonden, zijn echter aan de meeste mensen voorbij gegaan. Zelfs binnen jouw eigen familie! Jouw ooms en tantes, broers en zussen weten waarschijnlijk weinig over de praktijk van alledag.

In het internationale jaar van het gezinsbedrijf wil ik niet alleen kritisch zijn op het gezinsbedrijf, maar ook een belangrijk onderscheidend element onder de aandacht brengen: gezinsbedrijven zijn diep geworteld in de maatschappij. Generaties lang woont en werkt jouw familie in deze omgeving. De omgeving is misschien veranderd, jouw werk ook. De mate waarin je verbonden bent met mensen, jouw familie, jouw dorp, verenigingen en school, waarschijnlijk niet. Als het aankomt op het vergroten van het maatschappelijk draagvlak hebben we daarmee een groot voordeel in handen.

Als belangenbehartigers van de agrarische sector kunnen wij grootse evenementen organiseren om de sector te promoten. Hierbij zijn wij echter niets zonder jouw bijdrage. Op zaterdag 13 en zondag 14 september openen varkensbedrijven hun deuren om met trots te laten zien en te laten ervaren hoe varkens in Nederland gehouden en verzorgd worden. Het is een uitgelezen kans voor varkenshouders om op een laagdrempelige en leuke manier te laten zien wat dagelijkse werkzaamheden zijn, hoe varkens gehouden worden en het gesprek aan te gaan.

Misschien kunnen wij dit jaar, in het internationale jaar van het gezinsbedrijf, de kracht van ons gezin ook nadrukkelijk inzetten: nodig bijvoorbeeld de klasgenoten van jouw kinderen uit om met hun ouders langs te komen, dorpsgenoten via het buurtcentrum, jouw teamgenoten van de sportvereniging, vraag je familie om ook hun vrienden en collega’s uit te nodigen. Wat jij beschouwt als jouw ‘gewone’ netwerk van familie, vrienden en kennissen, is eigenlijk een kostbaar goed: ons draagvlak.

Annet van den Akker
dagelijks bestuur NAJK, portefeuille intensief

Gezin architect van cultuurlandschap

Het karakteristieke agrarische cultuurlandschap van Nederland; iedereen heeft er een eigen idyllisch beeld bij: een eik midden in een weiland, kronkelende slootjes of houtwallen. Prachtig toch? Dit effect van het Nederlandse gezinsbedrijf wordt bijna nooit belicht. Het draagvlak van de maatschappij voor het Nederlandse gezinsbedrijf hangt echter sterk samen met de rol die wij vervullen als beheerder van het landschap. Het gezinsbedrijf is aan het veranderen en dit heeft dus ook gevolgen voor hoe onze leefomgeving eruit ziet. Is dat erg? Even hing het voortbestaan van deze elementen uit het Nederlandse agrarisch cultuurlandschap aan een zijden draadje. Dat het wel degelijk erg is, bleek wel uit de discussie die toen ontstond. Het voorbestaan is afgelopen week veilig gesteld door deze elementen te waarderen in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Landschapselementen gewaardeerd voor vergroening, terecht! Men kan niet verwachten dat alles zomaar behouden blijft. Het GLB vormt een uitstekend sturingsinstrument voor invulling en behoud van het agrarische cultuurlandschap.

Maar landschapselementen bepalen het beeld niet alleen. Zeker niet, onze gewaskeuze heeft misschien wel een grotere invloed op invulling van het Nederlandse cultuurlandschap. Bloeiende aardappel- en tulpenvelden, wuivende graanpercelen, frisgroen gras en hoog groeiend maïs. Allemaal kunstzinnige gezichtsbepalers die de vlakken van Mondriaan kleur hebben geven. Grootste verschil met landschapselementen is dat een boer dankzij het telen van gewassen inkomen vergaart, waar uiteindelijk het gezin en het bedrijf van onderhouden wordt. Waardering van landschapselementen voor vergroening realiseert evenwicht tussen ecologie en economie.

De invulling van 5% ecologische aandachtsgebied in het nieuwe GLB heeft dus een sterke invloed op hoe ons landschap eruitziet. Menig koffietafelgesprek zal afgelopen maanden gevoerd zijn over de vergroening. Wat wordt ons opgelegd? Hoe gaan we het doen? Moeten we echt land inleveren in ruil voor de vergroeningspremie? Speculaties waar na maanden van praten, onderhandelen en debatteren een einde aan is gekomen, met een praktische invulling als eindresultaat! Je kan kiezen voor vergroening via vanggewassen, eiwitgewassen, akkerranden, gunstige meetellende equivalente pakketten en duurzaamheidscertificaten. Na gesprekken met adviseurs, accountants, medewerkers en collega’s zal je een afweging maken. Wat is voor ons bedrijf en onze omgeving de beste invulling? Na enkele jaren ervaring zal jouw keuze, beïnvloed door omgeving en vooral het gezin, resulteren in het nieuwe aanzicht van het karakteristieke agrarische cultuurlandschap. Dat maakt jouw gezin van groot belang voor het Nederlandse landschap. Want hier wordt de basis van onze leefomgeving gevormd: vanuit betrokkenheid bij de streek, kennis van de geschiedenis en doordat het bedrijf op die plek al generaties lang geworteld is. Daarom is het belangrijk dat iedereen de vergroening ook daadwerkelijk oppakt. Juist omdat wij die rol al decennia vervullen en het gezinsbedrijf aan het veranderden is. Het vormt een belangrijk onderdeel voor draagvlak door maatschappij en regie-identiteit. Besef van deze verantwoordelijkheid mogen we niet verliezen.

Eric Pelleboer
Dagelijks bestuur NAJK, portefeuille akkerbouw

Bedrijfsovername, een bewuste keuze

Binnen een familiebedrijf is zakelijk en privé vaak lastig te scheiden. Dit wordt vaak als een kracht gezien, aangezien iedereen zich met ziel en zaligheid inzet. Maar als er sprake is van bedrijfsovername is er vaak weinig meer van die kracht te merken. Logisch of onnodig?

In de vier jaar dat ik portefeuillehouder bedrijfsovername bij NAJK ben, heb ik veel praktijkverhalen van ondernemers gehoord. Gelukkig vaak heel succesvol, maar helaas soms ook met een minder gelukkige uitkomst. Komt dit doordat mensen het overnameproces onderschatten? Dat denk ik niet. Het heeft in mijn ogen meer te maken met het op tijd beginnen en bespreekbaar maken van zaken. Vooral dat laatste is een vaak genoemd struikelblok bij bedrijfsovername: hoe maak je iets bespreekbaar met je ouders, bijvoorbeeld, dat je eigenlijk wel op de boerderij wil gaan wonen en dat dit betekent dat je ouders moeten gaan verhuizen? Een lastig gesprek, omdat je ouders het bedrijf hebben uitgebouwd en beschouwen als hun levenswerk. Dit soort gespreksonderwerpen komen voort uit het gegeven dat het om een familiebedrijf draait Zou het geen familiebedrijf zijn, dan zullen bovengenoemde gesprekken een meer zakelijk karakter krijgen.

Die zakelijke insteek zien we deels terug bij het NAJK-initiatief Boer zoekt Boer. Ondernemers zonder opvolger komen online in contact met potentiële opvolgers. Dit zijn geen familieleden, dus de emotionele band blijft buiten beschouwing. Betekent dit dat het dan gemakkelijke gesprekken zijn? Absoluut niet, want nu draait het vooral om het krijgen en geven van vertrouwen in elkaar. In de praktijk blijkt dit vaak net zo lastig te zijn als het emotionele struikelblok om zaken bespreekbaar te maken. Kortom, is een buitenfamiliaire overname de oplossing om het overnameproces te vergemakkelijken? In mijn beleving niet de oplossing, maar het zorgt voor nieuwe uitdagingen.

Onlangs was ik bij een bijeenkomst, waarbij Abel Slippens, oud topman Sligro, gastspreker was. Sligro is van oudsher ook een familiebedrijf. Dat het in stand houden van een familiebedrijf niet eenvoudig is, werd al gauw duidelijk. Het was geen vanzelfsprekendheid dat de eigen kinderen zijn positie over zouden nemen. De eerste overweging was de vraag of ze wel voldoende capabel waren om de positie over te nemen. Een harde zakelijke houding die we in de agrarische sector niet veel tegen komen. Gelukkig is bedrijfsovername in de landbouw vandaag de dag ook vaak al een bewuste keuze, maar komt niet nog niet in de buurt van bovengenoemd voorbeeld.

Dit voorbeeld laat wel zien dat een familiebedrijf kan leren van een niet-familiebedrijf. Welke het beste voor u is, daar kan ik niet over oordelen. Wel wil ik u oproepen om op tijd te starten met het overnameproces. Beschikt u niet over een opvolger? Begin dan op tijd na te denken hoe u de toekomst ziet. Een samenwerking met iemand anders of eventueel verkopen, wat u ook kiest, zorg ervoor dat het een bewuste keuze is. Dat komt de toekomst van uw bedrijf alleen maar ten goede.

Ramon Klaassens
Dagelijks bestuurder met de portefeuille bedrijfsovername

Ondernemen in stabiele omgeving

Nederland staat wereldwijd bekend om zijn ondernemerschap en de kwaliteiten van de ondernemers die in alle sectoren over de wereld actief zijn. Ondernemerschap bloeit op door een reeks van factoren, maar één van de belangrijkste lijkt toch wel stabiliteit te zijn. Een besef dat ons de afgelopen weken pijnlijk duidelijk is geworden.

Ondernemen en stabiliteit lijken op het eerste gezicht misschien tegenstellingen. Maar ondernemers hebben behoefte aan een stabiele omgeving om een gedegen bedrijfsstrategie op te zetten en hun bedrijf op te kunnen bouwen. Een stabiele omgeving bestaat voor ondernemers uit veel facetten. Een basisvereiste is politieke en financiële rust. We hebben de voorbeelden gezien in de Noord-Afrikaanse landen, maar ook nu tijdens het conflict tussen Rusland en Oekraïne blijkt maar weer hoe belangrijk deze twee pijlers van het ondernemersklimaat zijn.

Hierop aansluitend moet het politieke klimaat worden benoemd, Daarbinnen worden de kaders geschept, waardoor ondernemerschap kan worden gestimuleerd of juist als algemeen goed of vanzelfsprekendheid teniet worden gedaan. Duidelijkheid in beleid en daardoor een stabiele omgeving, zijn essentieel voor ondernemerschap. Ondernemers hebben dit nodig zodat zij zich kunnen richten op hun ambacht: ondernemen. De dynamiek van prijs en aanbod, vernieuwing en ambitie behoren al onze aandacht te vragen en te krijgen, onduidelijke politieke strategieën, geheime ambtelijke agenda’s of onverwacht veranderende regelgeving niet.

Maar ook de structuur van de bedrijven zelf is van groot belang. Het gezinsbedrijf. Die structuur is voor ons misschien wel een vanzelfsprekendheid geworden. De waarde daarvan wordt bovendien al snel minder gewaardeerd dan politieke rust en stabiliteit, maar is daarom niet minder belangrijk: de structuur vormt ons fundament en vormt de basis van ons ondernemerschap. Het gezinsbedrijf is van oudsher, van generatie tot generatie en zonder veel hebzucht opgebouwd. Langzaam, maar krachtig. Het gezegde “alleen kun je sneller, maar samen kom je verder!” doet misschien wel het meeste recht aan hoe we het huidige gezinsbedrijf moeten bestempelen: een stabiel en bewezen succesvol bedrijfsmodel dat wellicht met een nieuw sausje nog jaren mee kan.

Wellicht. Maar niet vanzelfsprekend. Want de stabiliteit die wij als ondernemers verlangen mag niet verward worden met stilstand. De Nederlandse land- en tuinbouw is de stuwende kracht achter onze economie. Opererend in een strak kader van maatschappelijke wensen en eisen, omzoomd door wet- en regelgeving. Stabiliteit staat synoniem voor vooruitgang. Onze inventiviteit schuilt in de kracht om oplossingen te vinden voor nieuwe maatschappelijke normen. Ons sterke fundament, het familiebedrijf, maakt dat we daarop kunnen anticiperen. De basis is immers goed.

De basis is echter niet onwrikbaar gebleken. Aan de pijlers van een goed ondernemersklimaat wordt namelijk gezaagd. Generaties lang hebben we het opgebouwd. Langzaam en krachtig. Tussen alle dynamiek in de politiek, Nederland en de wereld door. En misschien zijn we daardoor onzichtbaar geworden. We zijn in Nederland stabiliteit wel degelijk gaan verwarren met stilstand. We begaan een grote fout, want in reactie op die angst wordt door de politiek nu koortsachtig geprobeerd om vooruitgang te pushen. Reactief, zonder visie of samenhang. Zonder oog te hebben voor de complexiteit van het systeem. Vooruitgang kan je niet pushen. Vooruitgang verwelkom je door de rode loper uit te leggen. Door te faciliteren.

Wij zijn de ambitieuze ondernemers van de toekomst. Wij kennen maar één richting en dat is vooruit. Onze wet- en regelgeving zou diezelfde richting op mogen kijken. De blik op een vast punt aan onze horizon, gericht op de toekomst van onze land- en tuinbouw. Stabiliteit door consistent en coherent beleid. Stabiliteit is geen vanzelfsprekendheid: verwelkom het.

Koen Bolscher
Dagelijks bestuurder NAJK, portefeuille melkveehouderij
Reageren? Kbolscher@najk.nl

Foutloos leren

Het gezinsbedrijf heeft voordelen. Dit jaar, door VN uitgeroepen tot ‘het jaar van..’, worden deze voordelen alom geprezen. Maar de bekende kanttekening, dat voordelen ook worden vergezeld van nadelen, is ook hier van toepassing denk ik. Het is goed om ook die onder ogen te willen zien. Niet om altijd de zwartkijker te willen zijn, maar veeleer om tot inzichten te komen, dit ondernemingsmodel beter te begrijpen. En daarmee het gezinsbedrijf ‘toekomstproof’ te maken.

In de land- en tuinbouw is de familiehistorie vaak verbonden met het gezinsbedrijf. Generatie op generatie worden bedrijven overgedragen. Die overdracht doen we veelal in een samenwerkingsperiode. Die tijd wordt benut voor vermogensvorming en een soort test en vorming van ondernemerskwaliteiten. Beide vormingsprocessen kunnen strubbeling veroorzaken.

Het bedrijf dat op deze manier is ontstaan, heeft door die historie vaak heel veel meerwaarde, waaronder ook veel emotionele waarde. Het verliezen van het bedrijf is dan ook niet enkel een financiële aderlating. Hier ligt een basis voor strubbelingen. Noem het rentmeesterschap versus ondernemerschap.
Jaren geleden, ik was enthousiast boerenjochie, en wilde gráág helpen op de boerderij. Het was voorjaar. Enkele droogstaande koeien wilde mijn vader naar buiten doen. Die koeien werden halters opgestoken. Opa stond buiten de stal om te helpen aandrijven. Pa kwam buiten met de eerste koe, die zich niet makkelijk gewonnen gaf. Een rondje over het erf tot gevolg. Vasthouden, vasthouden! Niet loslaten! schreeuwde opa. Vader sliste wat niet nader te benoemen verwensingen richting… de koe, zullen we zeggen. De volgende was een heel oude koe. Ik wilde die graag naar de wei leiden. Ik was echter zeven jaar, en vond toen dat ik heel mans was. Pa twijfelde echter. Toch kreeg ik een kans. Ik kreeg instructies. Kort bij de kop vasthouden, vóór de koe blijven. En als ze er vandoor gaat, gewoon loslaten hoor, zei pa. Daarnet had ik toch anders gehoord? Afijn, Alie kwam rustig met me mee richting de deuropening in de stal. Daar zag ze het licht, en zag ze haar kans schoon. Voor ik het doorhad lag ik op de grond en rende Alie over me heen.

Loslaten en vastgrijpen, een veelal moeizaam proces tussen overdrager en opvolger. Maar zó belangrijk om daarvan de essentie te willen begrijpen. Ik heb immers niet leren koeien geleiden van enkel te zien hoe dit moet. Ervaren, ondergaan voor de opvolger. Vertrouwen geven en kansen bieden door de overdrager. Gezinsbedrijven van de toekomst, bouwen aan hun continuïteit door ook opvolging goed te willen regelen. Dat mag met vallen en opstaan, zoals we allemaal ooit leerden lopen.

John Hilhorst
Voorzitter NAJK

Jonge agrariër met ambitie zoekt ruimte voor ontwikkeling

De intensieve veehouderij is een veelbesproken sector. Het is een sector die vaak onder vuur ligt, maar ook de sector die kansen heeft. Juist door die kansen te benutten, zal de sector het hoofd kunnen bieden aan alle kritiek van de afgelopen tijd. Wie gaan dat doen? Wie zullen de intensieve veehouderij van de toekomst moeten ontwikkelen? De jongere generatie! Het is dan ook van groot belang dat zij nu ook een kans krijgen om het bedrijf te ontwikkelen naar een toekomstbestendig bedrijf.

Een toekomstbestendig bedrijf is een bedrijf dat in elk geval brood op de plank brengt, zodat het kan overleven. De eisen die aan agrarische ondernemers worden gesteld, neergelegd in wet- en regelgeving, vragen om moderne ontwikkelingen, technische kennis en toepassingen. Dit vraagt bedrijfsaanpassingen en bedrijfsaanpassingen vragen investeringen. Nu hebben we meteen de kern van het probleem, want hoe komt dat voor een jonge boer uit? In de intensieve veehouderij zijn de opbrengsten bar laag en de kosten hoog. Kunnen jonge intensieve veehouders al deze financiële lasten wel aan? Is het dan nog wel aantrekkelijk om een bedrijf over te nemen? De financiële ruimte om te investeren is klein, maar de gevraagde investeringen zijn groot. Bedrijfsovername komt hierdoor in het geding. Met de wetenschap dat slechts 4% van de boeren in Nederland jonger is dan 35 jaar, is bedrijfsovername voor verjonging van de sector wel van zeer groot belang. Uit het pas gepubliceerde rapport van onderzoeksinstituut Alterra blijkt ook het belang van bedrijfsovername: de komende vijftien jaar zullen zo’n 20.000 boeren stoppen, met verpaupering en leegstand van het landelijk gebied tot gevolg.

En dus terwijl de Verenigde Naties 2014 uitroepen tot het internationale jaar van het gezinsbedrijf, zijn er hier overal in Nederland jonge boeren die zich afvragen of zij ooit nog een kans hebben om hun gezinsbedrijf over te nemen of voort te laten bestaan. De VN vieren dit jaar wat in de intensieve veehouderij met uitsterven wordt bedreigd.

Dat moet anders. Het verdienmodel, en daarmee het toekomstperspectief, moeten terug in de intensieve veehouderij. Keer op keer vertellen jonge boeren mij dat zij knel zitten: geen ruimte om te ontwikkelen en te investeren om daarmee de basis te leggen voor een bedrijf dat ook door volgende generaties gezinnen gerund kan worden. Maar, de jongeren die ik spreek zijn gelukkig ook ambitieus en daadkrachtig. Zij zijn innovatief, denken in oplossingen en buiten bestaande kaders.

Daarin ligt onze kans op een toekomst. Er zijn echter vele belemmeringen bij uitvoering van innovatieve bedrijfsplannen. Het past vaak niet binnen de vaste kaders van de wet- en regelgeving, vergunningen en financiering. Het belemmert innovaties, goede ideeën en oplossingen. Een gemiste kans. De overheden zouden hier flexibeler mee om moeten gaan, zodat deze goede initiatieven voet aan de grond krijgen. Het zijn diezelfde kaders die het gezinsbedrijf in de intensieve veehouderij zullen laten verdwijnen.

Annet van den Akker
Portefeuillehouder intensieve veehouderij

Gezinsbedrijf 3.0

Wat is de definitie van een gezinsbedrijf? Mijn omschrijving zou zijn dat op een traditioneel gezinsbedrijf vrijwel alle arbeid wordt geleverd door de ondernemer en meewerkende gezinsleden. Daarnaast wordt het bedrijf ook nog eens grotendeels gefinancierd met eigen vermogen. Het kenmerkende aan een gezinsbedrijf is dat er veel beslissingen ‘aan de keukentafel’ worden genomen, waardoor het bijna onoverkomelijk is dat er een grote verwevenheid bestaat tussen het gezin en het bedrijf. O ja, en niet te vergeten de consolidatie. Groeien is geen doel op zich, maar het bedrijf moet over de jaren heen (qua omvang) wel meegroeien om inkomen te kunnen behouden.

De Verenigde Naties heeft het jaar 2014 uitgeroepen tot Internationaal Jaar van het Gezinsbedrijf (International Year of Family Farming). Om wereldwijde bewustwording te creëren over de belangrijke rol die gezinsbedrijven spelen in de landbouw, en hiermee in de voedselvoorziening, maar vooral ook om deze rol in de toekomst te kunnen blijven vervullen.

Gezinsbedrijven hebben de agrarische sector veel gebracht. Maar toch begint voor mij de schoen daar te wringen… Want is het traditionele gezinsbedrijf nog wel zo geschikt voor de toekomst? Is het gezinsbedrijf niet behoorlijk uit zijn jasje aan het groeien? Volgens mij moeten we dit jaar van het gezinsbedrijf juist gaan na denken over een gezinsbedrijf nieuwe stijl. Niet de opvolger van het huidige gezinsbedrijf, maar een compleet nieuwe. Versie 3.0.

In gezinsbedrijf 3.0 ben ik opzoek naar een (zakelijke?) vorm waar er geen communicatie-issues meer zijn vanwege de verwevenheid van gezinsleden en het bedrijf. Moeten dan bedrijf en privé geheel gescheiden worden? Wordt het ‘keukentafel overleg’ een overleg met Raad van Bestuur? In gezinsbedrijf 3.0 is ook een antwoord gevonden op de vraag hoe de alsmaar kapitaal intensievere bedrijven overgenomen kunnen blijven worden door jonge boeren- en tuinders. Welke ondernemingsvorm past hierbij? Uitgave van boerderijaandelen? Of juist een coöperatieve structuur? In versie 3.0 is het voor mij ook niet meer vanzelfsprekend dat vrouwen en gezinsleden automatisch meewerken op het bedrijf. Maar gaat dit dan ingevuld worden met externe arbeid? Of een nog verdere automatisering?

Krijn Poppe, bedrijfseconoom bij het LEI denkt dat de land- en tuinbouw het MKB achterna gaat. Volgens hem is ‘1 bedrijf = 1 locatie = 1 ondernemer = 1 gezin’ achterhaald. Ik geloof dat het gezinsbedrijf de agrarische sector veel heeft gebracht. Maar als we het hebben over de toekomst, laten we dit jaar van het gezinsbedrijf dan vooral gebruiken hoe versie 3.0 eruit gaat zien. Ik denk dat dit ons nog wel eens kan gaan verrassen.

Inge van Schie – Rameijer
dagelijks bestuur NAJK

Survival of the fittest

De vergroening van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is een feit. Het is een omwenteling waarbij vanaf 2015 alle Europese boeren aan de slag gaan om te laten zien: boeren zijn zo groen als hun groenste gewas. Toch lijkt het alsof deze nieuwe stap in het Landbouwbeleid nog niet op elk boerenerf is geland. Misschien dat wij van Charles Darwin, groengoeroe bij uitstek, nog kunnen leren.

Er zijn collega’s die denken dat de vergroening uit het nieuwe GLB niet verplicht is. Men zegt: “Laat de vergroeningspremie maar zitten. Ik bespaar mezelf de moeite.” De vergroeningspremie is een vergoeding die boeren ontvangen als men aan de eisen van vergroening voldoet. Maatregelen zijn: het behouden van voldoende grasland, het rouleren van een minimaal aantal gewassen of het inrichten van een deel van het land tot ecologisch aandachtsgebied.

Word wakker! Vergroening is wél een verplichting! De vergroeningspremie is geen extra betaling, maar een deel van de huidige steun. Niets extra’s! Kiezen om niet te vergroenen betekent verliezen wat je had. Wij maken een cruciale rekenfout als wij de huidige vergroeningpremie gebruiken als argument om wel of niet aan de vergroening van de landbouw mee te werken. Korte-termijn denken.

Als wij de vergroening van het GLB zien als een economische factor, dan moeten we dit ook in perspectief zien op de lange termijn. Nu ontvangen wij vanaf 2015 weliswaar een vergroeningspremie en als je ervoor kiest om niet aan de vergroening te voldoen, dan zul je hierop gekort worden. Natuurlijk op de vergroeningspremie zelf, maar uiteindelijk ook op rest van de basispremie. Het zal steeds lastiger worden om het verschil in te halen, als wij nu niet inhaken op die vergroening.  Bijvoorbeeld, nu worden akkerbouwers verplicht om 5% van hun land te bestemmen als ecologisch aandachtsgebied, over een aantal jaar wordt dit percentage waarschijnlijk verhoogd naar 7%.

In de eerste vergroeningsvoorstellen van het GLB was het idee om ons helemaal geen basispremie uit te keren als wij niet aan de vergroening zouden voldoen. Dat doemscenario hebben we vooralsnog kunnen voorkomen. We moeten voorkomen dat deze discussie opnieuw oplaait omdat we als sector te weinig ambitie tonen.

De vergroeningspremie is niet rond te rekenen als een simpele rekensom. Aspecten zoals maatschappelijk draagvlak en imago zijn hierbij van onschatbare waarde. Vergroening speelt hierin een sleutelrol. Het idee dat het landbouwbudget het budget van boeren is, is een achterhaald idee. Het geld is voor ons, maar niet ván ons. De maatschappij stelt deze eisen, betaalt door belastinggeld en dus betaalt door de maatschappij, de consument, onze klant. Nu we aan de start staan, kunnen we vergroening passend maken op bedrijfsniveau, juist voor behoud van draagvlak en een goed imago. Over een aantal jaar op deze rijdende trein moeten springen is veel lastiger. En waarschijnlijk ook duurder, want lukt het ons dan nog om de vergroening een plek te geven in onze bedrijfsvoering?

Vergroening is bovendien niet alleen maar moeilijk of verplichtend, zoals sommige op voorhand vrezen. Wat te denken van bijvoorbeeld de duurzaamheidscertificaten? We zullen de komende tijd als sector ons inspannen om alle initiatieven waarin wij in Nederland nu al voorop lopen, via duurzaamheidscertificaten ook een plek te geven in de vergroening van het GLB. Dan betaalt de maatschappij mee aan deze initiatieven, die we nu al ontwikkelen en waarin wij wereldwijd het verschil weten te maken. Daarmee gaan we ons bestaansrecht in de maatschappij verder bestendigen. Daarin liggen bovendien nieuwe kansen en ongebaande paden. Het GLB gaat dit ondersteunen.

Nederland behoort op het gebied van land- en tuinbouw tot de absolute wereldtop. De grootste bedreiging voor die positie is dat wij achterover gaan leunen en alle ambities overboord gooien. Mijn pleidooi is om in volle vaart vooruit te blijven gaan. Dit is een ambitie waarin politiek en beleid alleen maar mee kunnen gaan. Het is immers, vrij vertaald naar Darwin, niet diegene die het sterkst is die zal overleven, maar diegene die het slimst in staat is om te gaan met verandering. Dat zullen wij zijn.

“It is not the strongest of the species that survives, nor the most intelligent, but the one most responsive to change.” (Charles Darwin)

Eric Pelleboer – dagelijks bestuur akkerbouw

Deze column verscheen eerder op www.heteetcafe.eu

“De nieuwe standaard?”

Mensen spreken over “de nieuwe standaard”. De nieuwe standaard: is dat iets wat wij zelf kunnen bepalen of wordt het ons opgelegd. Heeft het voor jou te maken met kwaliteit, onderscheidend vermogen, beleid of de economische situatie? Bestaat er een nieuwe standaard die voor iedereen gelijk is?

Het bepalen van of accepteren dat er een nieuwe standaard is, heeft tijd nodig. Om te bepalen of je te maken hebt met een nieuwe standaard, moet je voor jezelf het hoe, wat en waarom bepalen. Zo vraag ik mij af of wij in Nederland nog in een economische crisis zitten of dat we moeten accepteren dat dit de nieuwe standaard zal zijn. Is het zo dat we boven onze stand(aard) geleefd hebben? Als we onze loonkosten, energiekosten, maar ook de kosten voor onze zekerheden vergelijken met andere landen in Europa, zijn wij dan niet veel te duur? Op veel agrarische bedrijven is het rendement ver te zoeken en kunnen veel, vooral jonge, ondernemers maar lastig van de kant komen. Gelukkig hebben we daarbij een overheid die kansen ziet om onze kennis weg te geven, al weet ik ook wel dat het belangrijk is om ontwikkelingslanden te ondersteunen. De Nederlandse agrariërs zijn afhankelijk van hun innovatief vermogen om de primaire productie hier te behouden, daar ligt onze concurrentiekracht en de basis van de Nederlandse economie. Bezuinigingen in de politiek zijn simpel gezegd lastenverzwaringen. Zonder dit innovatief vermogen zullen we moeten nivelleren en moeten we wennen aan deze nieuwe standaard.

Een nieuwe standaard die we wel kunnen bepalen is ons imago. Al jaren lang zijn we bezig met ons imago, maar doen we dit wel op de juiste wijze, zijn we op de goede weg? Worden jullie er soms ook niet moe van om je maar weer te moeten verdedigen? Er kan altijd wel iets beter. Maar het meeste baal ik van de hardnekkige vooroordelen. Onze productiemethodes zijn een voorbeeld in de wereld, maar onze maatschappij ziet het niet. Van verre komen de mensen om te werken in onze sector, die komen ook door andere landen heen, maar kiezen er toch voor om door te rijden naar Nederland. Dan moet het toch leuk zijn om hier te werken. Hoe kan het dan dat Nederland werkzoekenden heeft die het werk waarschijnlijk ook kunnen doen? Het probleem ligt hier volgens mij niet bij de sector, maar in onze maatschappij. Daarnaast zijn er nog veel dingen waar hard aan gewerkt wordt, maar blijkbaar zijn we niet in staat om dit te presenteren. Ons imago wordt er niet beter op als we alleen maar moeten verdedigen. Als je wilt winnen moet je scoren, trots zijn op wat je kunt en open zijn over de problemen waar je aan werkt.

Jan Enthoven
Portefeuillehouder tuinbouw