Tuinbouw veroorzaker van aardbevingen?

Afgelopen woensdag 7 februari stond een artikel in het Algemeen Dagblad met als titel ‘De kas moet van het gas. Maar hoe?’. De Nederlandse tuinbouw, hoe duurzaam ook, zou grootverbruiker zijn van het Gronings gas. Indirect is de tuinbouw dus wellicht verantwoordelijk voor veel schade aan gebouwen, emotioneel letsel en financiële fiasco’s in Groningen. Waar of niet, schuldig of niet; in de glastuinbouw wordt een opmerkelijk grote hoeveelheid gas verbruikt. Het zou mij dan ook niet verbazen als enkele glastuinbouwbedrijven al een brief hebben ontvangen van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat waarin hun medewerking wordt gevraagd om voor 2022 op andere energie over te stappen.
License to produce is inmiddels een maatschappelijke verantwoording van elk bedrijf. Onderdeel hiervan is om zo te telen dat men het milieu zo minimaal mogelijk schaadt en er zoveel mogelijk resources overblijven voor de generatie na ons.
Ondanks dit is het essentieel om kassen te verwarmen, zeker op koudere dagen. Duurzame warmte heeft hier maatschappelijk gezien de voorkeur. Projecten als aardwarmte en plannen om in de toekomst een warmterotonde te gaan gebruiken worden door iedere kweker omarmt. Gelukkig lopen er al verschillende initiatieven en speelt ook het nieuwe telen een grote rol bij het verminderen van gasverbruik. De Nederlandse glastuinbouw is de weg naar duurzame warmte reeds jaren geleden ingeslagen, simpelweg omdat zowel het milieu, als duurzaam telen en een rendabele teelt van essentieel belang zijn om een bedrijf te runnen. Laten we deze weg voortzetten en zorgen dat de voegen van Groningen blijven zitten waar deze zitten!

 


Jan Paauw

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Jan Paauw verantwoordelijk voor de portefeuille tuinbouw. Dit combineert hij met zijn baan bij de buitendienst van GMN, een adviserings- en verkoopbedrijf aan telers.

Het 6e actieprogramma Nitraatrichtlijn, van generiek naar specifiek: een goede zaak!

De winter is voor mij een goede tijd om over het volgende teeltseizoen na te denken. Hoe ga ik de bemesting dit jaar anders doen? Misschien meer met vaste mest in plaats van drijfmest of kunstmest werken? Heeft het nut om meer met groenbemesters te gaan werken? Ik gebruik daar soms handige programmaatjes voor om dingen door te rekenen. Deze programma’s zijn echter wel gebonden aan de mestregelgeving en laat deze nu voor de komende jaren weer op de schop gaan. Regelgeving waarvan ik vroeger dacht: wie heeft het bedacht? En hoe kunnen ze het bedenken? Nu heb ik er in de praktijk mee te maken. Waarom zijn er zo veel beperkingen en verplichtingen?

Vlak voor de kerst is door minister Schouten het 6e actieprogramma Nitraatrichtlijn aangeboden. Dit programma zal onder andere het Nederlandse mestbeleid gaan bepalen voor de komende vier jaar. In dit programma staan de maatregelen die Nederland gaat nemen om de uitspoeling van stikstof en fosfaat naar het grond- en oppervlaktewater te beperken. Op dit moment voldoet Nederland nog niet aan de Europese eis van 50 mg nitraatuitspoeling via het grondwater. Dit speelt specifiek op bouwlandpercelen in het zandgebied in zuid Nederland en het lössgebied. Daarnaast kijkt Europa streng toe op de uitspoeling van nutriënten naar het oppervlaktewater. Dit is in een veel groter deel van Nederland aan de orde, daar moet aan gewerkt worden.

Juist voor het zuidelijk zand en lössgebied gaan extra regels gelden die de uitspoeling van nutriënten via grondwater moet voorkomen. Zo zal er in het zuiden na de teelt van aardappels voor 31 oktober een vanggewas gezaaid moeten worden en de bemestingsnorm voor groenbemesters zal gehalveerd worden na de teelt van een uitspoelingsgevoelig gewas. Dit zijn enkele maatregelen die direct de boerenpraktijk raken en kosten met zich meebrengen. Ik vraag me sterk af of de maatregelen altijd daadwerkelijk het gewenste effect hebben. De meest ingrijpende maatregel is misschien wel de verplichte rijenbemesting in maïs vanaf 2021 op alle zand- en lössgronden. NAJK heeft voorgesteld om rijenbemesting alleen te verplichten op gronden waar werkelijk een hoge uitspoeling gemeten wordt, namelijk het zuidoostelijk zandgebied. Dit voorstel is echter niet aangenomen. Ook voor ruggenteelten gaat er iets veranderen: er zal een blokkade aangelegd moeten worden om afspoeling van het perceel tegen te gaan. Een blokkade in de vorm van een geul of sleuf rondom het perceel is nu ook toegestaan.

Juist voor akkerbouw is specifiek beleid belangrijk. Als teler moet je kunnen bemesten naar gewasbehoefte en grondsoort. Ik ben dan ook blij met de extra klasse voor de fosfaatnorm. De stap naar het compleet in beeld brengen van de in- en uitgaande mineralenstromen is nog niet gezet. Op deze manier wordt ieder bedrijf geprikkeld om zo efficiënt mogelijk met de bemesting om te gaan. Dit lijkt mij een goede richting. Het 6e actieprogramma vind ik in z’n totaliteit dan ook een stap in de goede richting om problemen die regionaal spelen aan te pakken.


Doeko van ‘t Westeinde

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Doeko van ’t Westeinde verantwoordelijk voor de portefeuille akkerbouw. Doeko combineert deze functie met het werk op zijn akkerbouwbedrijf in Nieuweschans.

Toegang tot land

Column 1/3 | Ondersteuning jonge boeren

Er is een top 3 van zaken waar jonge ondernemers behoefte aan hebben: 1) toegang tot land; 2) toegang tot kapitaal en 3) kennisontwikkeling. In deze eerste column van de reeks ga ik in op toegang tot land.

Startende jonge boeren ervaren de beschikbaarheid van grond als grootste drempel om te starten. Het begint al voor de bedrijfsovername. Grond maal € 64.000,- per hectare drukt hard op de balans. Een bedrijf overnemen vraagt om veel kapitaal. Laat staan wanneer je extra hectares bij wilt kopen. Een externe verkoper zal wellicht minder vriendelijk zijn in het vaststellen van de hectareprijs dan je eigen ouders. Maar grond is wel nodig. De maatschappij stuurt immers naar een meer extensieve manier van landbouwbedrijven of naar meer weidegang. Als jonge ondernemers geen grond kunnen kopen, blijven de mogelijkheden van pachten of huren over. Het liefst tegen een prijs waarmee er nog een inkomen overblijft.

Namens NAJK mag ik in gesprek met verpachters en organisaties die verpachters vertegenwoordigen. Wat opvalt is het grote onrecht dat verpachters zich aangedaan voelen. Ze kopen dure grond, drukken de grondprijzen omhoog, klagen dat ze daarom veel vermogensrendementsheffing moeten betalen (1,2% x € 64.000,- is € 768,-) en dat er daarom weinig overblijft van de pacht die ze ontvangen. Als ‘wij’ ze helpen de vermogensrendementsheffing te verlagen willen ‘zij’ genoegen nemen met een lagere pachtsom. De omgedraaide wereld. De prijs van grond staat volledig los van de pachtprijs die een landbouwer kan betalen. Dat is het niveau waar de pachtprijs bij een schaarse grondmarkt naar toe beweegt en overstijgt. Het zou veel beter zijn de vermogensrendementsheffing op landbouwgrond fors te verhogen. Zo wordt het kopen van landbouwgrond door particulieren minder aantrekkelijk. Dan verliest de grote ballon op de grondmarkt wat lucht en dalen de grondprijzen tot een lager niveau. Door de lagere waarde hoeft de particulier ook nog eens over een lager bedrag vermogensbelasting te betalen (al bevind ik mij met die laatste zin op hetzelfde niveau als verpachters).

Waar het mij om gaat is dat uitmelkerij van grond niet meer van deze tijd is. Iedere landbouwer wil investeren in goede grondkwaliteit, met een vruchtbare bodem, hoge organische stof, veel waterbergend vermogen en weinig uitspoeling van mineralen. Echter, bij hoge pachtprijzen is er op korte termijn maar één manier om de pacht rendabel te maken. Dat zijn hoog intensieve en risicovolle teelten, met als gevolg een hoge belasting op de grond. Ten eerste is het voor jonge boeren zonder veel extra kapitaal niet mogelijk met zulke hoogrenderende intensieve teelten te starten en ten tweede moeten ze dit niet eens willen als de grond vervolgens geen tijd krijgt te herstellen. Misschien geluk bij een ongeluk, dat je een opstart van een bedrijf zonder zekerheden niet eens gefinancierd krijgt.

Ik was blij met de instemming van alle pachtpartijen dat er flankerend beleid moet komen om toegang tot pachtgrond door jonge boeren te bevorderen. Ik vind het jammer dat verpachters de insteek hebben dat hun vermogensbelasting op alle gronden, zowel kort als langdurig verpacht, zo laag mogelijk moet zijn. Dat doet geen recht aan de wens van de maatschappij om op een volhoudbare wijze landbouw te bedrijven. Ik pleit voor het verder verlagen van belasting voor verpachters die grond in reguliere pacht uitgeven, bij voorkeur aan jonge landbouwers en starters, en verder verhogen van belastingen voor degenen die enkel kort verpachten en door de hoofdprijs te vragen de grond uitmelken. Voor de belastingdienst maakt het per saldo niet uit. De (jonge) boer heeft langdurig zekerheid over de grond en kan erop financieren en investeren, de verpachter wordt fiscaal beloond wanneer hij zijn grond op een verantwoorde wijze uit gebruik geeft en het klimaat plukt de vruchten van een beter bodembeheer. Hoog tijd om te denken in het belang van het klimaat en de jonge boer.


Sander Thus

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Sander Thus verantwoordelijk voor de portefeuille bedrijfsovername. Dit combineert hij met zijn werk op het vleesvarkens- en akkerbouwbedrijf in Wehl.

Melkveehouders, ga online!

Contact maken met de consument. Als u het mij vraagt dé uitdaging van de zuivelindustrie in deze tijd. Gelukkig is er geen hogere wiskunde nodig om de brug te slaan. Een smartphone en Facebook-, Instagram- of Twitter-account is al voldoende!

Kunt u nog zonder smartphone en social media? Ik niet, moet ik bekennen. Zowel zakelijk als privé ben ik er de nodige tijd aan kwijt. Graag zou ik zien dat andere melkveehouders dat ook zouden doen. Facebook, Instagram en Twitter zijn namelijk krachtige tools om te communiceren met de consument. En dat is hard nodig.

Investeren in communicatie

De maatschappij is steeds minder goed op de hoogte van het reilen en zeilen van de zuivelindustrie. In de krant leest men over antibiotica, mestbeleid en dierenwelzijn, maar weten wat er écht speelt? Dat bereikt de consument maar mondjesmaat. Spijtig, want melkveehouders hebben een mooi en eerlijk verhaal te vertellen. Willen we als zuivelsector blijven floreren, dan is het van belang dat de maatschappij ons verhaal kent én waardeert. Fors investeren in communicatie is daarbij essentieel.

Likes voor koeien

Het mooie is: in feite kan iedere melkveehouder die verbinding met de consument maken. Simpelweg door vaker social media in te zetten. Het grote voordeel van een medium als Instagram is dat het een laagdrempelige vorm van communiceren is, maar een grote impact kan hebben. Zet eens een foto online van koeien die voor het eerst weer de wei in mogen. Wedden dat u in een mum van tijd vele ‘likes’ krijgt? Bovendien krijgt de Nederlandse consument zo spelenderwijs weer binding met onze prachtige zuivelproducten.

Toon de kracht van zuivel

Dus melkveehouders van Nederland; laten we wat vaker tijdens werktijd de telefoon erbij pakken en consumenten een kijkje geven in onze keuken. Goed voorbeeld doet volgen. Dit is hoe ik het verhaal van Nederlandse zuivel op Instagram vertel! Of kijk eens op de Facebookpagina van het Brabants Agrarisch Jongeren Kontakt (BAJK). Daar lees en zie je alles over de dagelijkse gang van zaken van trotse jonge boeren. Een mooi voorbeeld van hoe het ook kan!


Bart van der Hoog

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Bart van der Hoog verantwoordelijk voor de portefeuille melkveehouderij. Bart combineert deze functie met het werk op het melkveebedrijf in Enspijk.

 

Nieuwe passant, nieuwe ideeën

Met een nieuwe CEO kan FrieslandCampina eenvoudig afstand nemen van eerder gemaakte keuzes en het beleid omgooien. Het kan gaan inzetten op het verwaarden van meer verschillende melkstromen om het gat tussen gangbaar en biologisch te vullen.
Roelof Joosten heeft onlangs bekendgemaakt Nederlands bekendste zuivelreus te verlaten. Op zichzelf een opmerkelijk bericht, omdat hij pas een jaar of twee aan het roer was. Zijn vertrek doet mij denken aan de afscheidsspeech van Piet Boer, krap een jaar geleden. Piet stelde in zijn speech zeer treffend dat de topbestuurders van de NV passanten zijn. Ze hebben een dienende rol voor de coöperatie. De eigenaren van de coöperatie bepalen uiteindelijk wat echt belangrijk is en waar zij met hun zuivelverwerker heen willen.

Kenmerk van een echte coöperatie is de focus op de lange termijn. FrieslandCampina is primair opgericht voor het verwaarden van melk. Randzaken als energie en mest zullen nooit het verdienmodel worden. Kortetermijnwinst is niet belangrijk; het draait om de continuïteit, zodat ook de volgende generatie melkveehouders de voordelen plukt van het lid zijn van de coöperatie.

Nieuwe visie

Een nieuwe bestuurder aan het hoofd van de NV geeft nieuwe kansen. Je kunt het beleid eenvoudig omgooien en afstand nemen van eerder gemaakte keuzes. Te lang vasthouden aan verkeerde beslissingen uit het verleden kost soms onnodig veel geld. Met een nieuwe CEO is het makkelijk om over deze schaduw heen te stappen. Daarnaast kan een nieuwe CEO ook zijn nieuwe visie projecteren op de multinational.

Frans Keurentjes zei laatst op een vaderlijke toon tegen mij: “Alleen ga je sneller, samen kom je verder”. Het was op een vergadering van de klankbordgroep Duurzame Zuivelketen. Ik stelde dat je moet inzetten op meer verschillende melkstromen met hun eigen duurzaamheidskenmerk, als je als sector collectief gaat verduurzamen. Met diversiteit in melkstromen verduurzaam je als sector sneller en speel je in op de marktkansen die er zijn. De zuivelindustrie heeft nu als strategie om de gehele melkstroom te verduurzamen. De stappen die dan worden gezet zijn begrijpelijk klein, omdat iedereen moet meedoen.

‘Nu inzetten op verwaarden van melkstromen’

Als ik Hein Schumacher mag adviseren, zou ik juist nu inzetten op het verwaarden van verschillende melkstromen. Het is dan essentieel dat de leden de keuze krijgen of ze wel of niet meedoen met een nieuwe melkstroom. Het extra saldo dat een melkveehouder maakt moet voor een gedeelte ten gunste komen van zijn bedrijf, en een gedeelte aan de winst van alle melkveehouders binnen de coöperatie. Op deze manier krijgt je geen A- en B-leden.

Wanneer melkveehouders de keuze hebben of ze een bepaalde duurzamere melkstroom gaan produceren binnen een ketenconcept, is de weerstand nihil en kun je snel stappen maken als sector. Mogelijke nieuwe melkstromen met potentie zijn naast VLOG-melk natuurinclusieve melk, A2A2-melk, Beter Leven-melk, of melk van uitsluitend gras gevoerde melkkoeien.

‘De toegevoegde waarde van melk zit de aankomende decennia in het verwaarden van bijzondere melkstromen’

In Nederland is weidemelk de norm geworden, nu zelfs de kaassoufflés in de supermarkt een weidemelklogo krijgen. Ik vind het echt opvallend dat FrieslandCampina niets te bieden heeft tussen gangbaar en biologisch in. Vlees en eieren kent al jaren verschillende stromen in binnen- en buitenland. Nederland is geen land om te excelleren met kleurloze bulkproducten. Ons bestaansrecht hangt af van de toegevoegde waarde van melk. De toegevoegde waarde zit de aankomende decennia in het verwaarden van bijzondere melkstromen. Daar ben ik van overtuigd!


Bart van der Hoog

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Bart van der Hoog verantwoordelijk voor de portefeuille melkveehouderij. Bart combineert deze functie met het werk op het melkveebedrijf in Enspijk.

 

Wanneer ´zorgen voor’, ‘zorgen om’ wordt

Fijnstof, stalbranden, ammoniakuitstoot, fipronil, q-koorts. Zomaar wat termen die menig veehouder het afgelopen jaar de nodige hoofdpijn hebben bezorgd. An sich zijn deze zaken allemaal ernstig genoeg en een nachtmerrie voor iedere veehouder maar het lijkt wel of de media het niks kan schelen wat de boer hierbij voelt. Sensatie en scoren lijken belangrijker te zijn dan feiten.

Laten we voorop stellen dat het de verantwoordelijkheid van elke veehouder is zijn vee, zijn gezin en zijn omgeving te beschermen voor bovenstaande en andere punten. Veehouders hebben de plicht om hun omgeving niet tot last te zijn. Maar wanneer ben je iemand buitenproportioneel tot last? Vraag jezelf af of het echt nodig is om in het weekend mest uit te rijden maar wanneer de uiterste uitrijdatum of slecht weer in zicht is, dan is er mijn inziens sprake van overmacht. Communicatie kan hierbij het toverwoord zijn.

Het onbegrip vanuit burgers lijkt door onwetendheid groter te worden. Goede communicatie brengt essentiële veranderingen. Natuurlijk doet een ieder dit op zijn eigen manier: een open dag of een Facebookpagina voor je bedrijf. Het hoeft niet altijd groot te zijn. Een praatje met je naaste buurman, welke geen boer is, kan vaak ook veel leed voorkomen. Leg uit waarom je dingen doet zoals je ze doet en dat dingen soms niet anders kunnen. Dit kan je veel opleveren.

Bovenstaande klinkt relatief eenvoudig maar om het grote publiek te bereiken is meer nodig. Een gezamenlijke inzet van de gehele sector. Hoe is het mogelijk dat kleine anti-veehouderijgroepen het met hun geoliede marketingmachine kunnen winnen van een sector met duizenden ondernemers en vele grote spelers als voerfabrieken en andere leveranciers. Ik vraag me af waarom het de sectoren niet lukt om gezamenlijk met één positief geluid te komen. Wat ik wel weet is dat het heel hard nodig is, want waar we nu nog zorgen voor onze dieren worden het op veel plaatsen zorgen over onze dieren. Zorgen over de toekomst van onze bedrijven en zorgen over het verdienmodel van morgen. De verantwoordelijkheid dit tij te keren licht bij onszelf en wij zullen zelf deze handschoen op moeten pakken. Wie doet er mee?


Stijn Derks

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Stijn Derks verantwoordelijk voor de portefeuille intensief. Stijn combineert deze functie met het werk op het pluimvee- en akkerbouwbedrijf.

Fipronil: wijzen of oplossen?

Op het internet gonst het van beschuldigende berichten over de fipronilzaak. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de pluimveehouders, de Nederlandse overheid en ga zo maar door. Allemaal zou hen iets te verwijten vallen Er zijn fouten gemaakt maar ik vraag mij af of met de vinger wijzen de oplossing is om uit deze fipronilcrisis te komen.

Ik vind het moeilijk hier juist mee om te gaan. Wanneer ik een tweet zie over het ’falen’ van de NVWA lees, kan ik mij hier in vinden. Voor ik het weet heb ik het al geretweet. Wanneer ik hier langer over nadenk, vraag ik mij af hoe zulke fouten bij een organisatie als de NVWA gebeuren kunnen. Is het deze mensen wel persoonlijk aan te rekenen? Is er niet gewoon een zwaar te kort aan mankracht? Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat er dingen anders hadden gemoeten maar is dat voldoende reden om nu direct de NVWA bij het grof vuil te zetten?

Dan de Nederlandse pluimveehouder, die had volgens velen beter moeten weten. Natuurlijk doe je er als pluimveehouder alles aan om na te gaan met wie je zaken doet voor je iemand in je stallen toelaat. Het gaat immers over je inkomen. Daarnaast durf ik met de hand op mijn hart te zeggen dat het de Nederlandse pluimveehouder aan het hart gaat wat er met zijn dieren gebeurd.

En natuurlijk de Nederlandse overheid. Na een lange radiostilte, mede door het reces, kwam dan de eerste reactie van staatsecretaris van Dam van Economische Zaken. Volgens sommigen niets zeggend en te laat, volgens anderen te prijzen dat hij in overleg was met de vertegenwoordigers van de sector. Wanneer er uit deze overleggen komt dat er uitstel van betaling van belasting kan worden aangevraagd, is dit wassen neus. Er is namelijk geen inkomen. Daarnaast vraag ik me af hoe de hele zaak verder gaat verlopen als de heer Van Dam na het reces afscheid neemt. Blijft er voldoende aandacht voor het probleem? En denken ook andere partijen dan Partij voor de Dieren na over deze hele kwestie?

Belangrijk is dat de pluimveesector zo snel mogelijk uit deze crisis komt. Deze crisis schaadt de pluimveehouders, het consumentenvertrouwen en de gehele pluimveesector. De toekomst van deze mooie sector staat hiermee op het spel. Met een vinger wijzen brengt geen oplossingen. Pluimveehouders van jong tot oud, de NVWA, de overheid, de banken en vertegenwoordigers van de belangenorganisaties moeten constructief het gesprek met elkaar aan.

Ieder heeft een rol om uit deze crisis te komen. Pluimveehouders: meld je als je met Chickfriend zaken heb gedaan en werk aan een fipronilvrije stal. NVWA geef zo spoedig mogelijk de bedrijven vrij. Verder wil ik de Nederlandse overheid met klem verzoeken onze mooie pluimveesector niet te laten vallen, zij hebben uw hulp nu meer nodig dan ooit. Laten we met elkaar de handen ineen slaan zodat dit de velen familiebedrijven niet de spreekwoordelijke kop hoeft te kosten!


Stijn Derks

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Stijn Derks verantwoordelijk voor de portefeuille intensief. Stijn combineert deze functie met het werk op het pluimvee- en akkerbouwbedrijf.

Met stomheid geslagen

Ik heb er geen woorden voor. Terwijl ik de berichtgeving over het waarschijnlijk intrekken van de RUB-lijst (Regeling Uitzondering Bestrijdingsmiddelen) lees, ben ik met stomheid geslagen.

Overal om mij heen zie ik organisaties en individuele personen die streven naar een duurzamere en groenere sector. De inzet beperken van gewasbeschermingsmiddelen van chemische aard staat al centraal bij kweker, handelaar en fabrikant van dergelijke middelen. We werken hier met zijn allen hard aan. De inzet van dergelijke middelen wordt reeds beperkter in ontwikkeling en het aantal toelatingen. Er blijven weinig riemen over om mee te roeien. Veelal middelen van natuurlijke komaf zoals de zeewier preparaten, knoflook extracten etc. Deze middelen zijn vaak bedacht en getoetst in de praktijk door de kleinere mkb-bedrijven. Deze bedrijven hebben onvoldoende macht en kapitaal om een dure toelatingsprocedure te bekostigen waardoor de RUB voor veel goeds zorgde. Zo wordt met succes knoflook-extract gebruikt om schadelijke nematoden te verjagen in vollegronds teelten en kunnen bepaalde zouten gespoten worden als luis bestrijders.

Waar geïntegreerde gewasbescherming onder glas inmiddels gewoon-goed begint te worden, staat dit proces voor de buitenteelt nog in de kinderschoenen. Juist dan zijn middelen geregistreerd op de RUB-lijst van essentieel in het huidige rassenassortiment!

Persoonlijk vind ook ik dat middelen die momenteel op de RUB-lijst staan voldoende getest en geregistreerd moeten worden op belasting van mens en milieu. Echter zijn deze procedures bijzonder kostbaar en daardoor vrijwel uitsluitend voor de multinationals toegankelijk. Met een trage ontwikkeling van nieuwe middelen tot gevolg. Dat er weloverwogen stappen worden gezet vind ik enorm belangrijk, maar wacht dan met het beperken van mogelijkheden om in Nederland te kunnen blijven telen!

Nu hoveniers geen glyfosaat meer mogen toepassen op verhardingen en in de praktijk veelal azijn gebruikt wordt om menig oprit vrij te houden van onkruid, ben ik erg benieuwd hoe een gemiddelde woonwijk er over twee jaar uitziet.

Kunnen we dit besluit dan omschrijven als een echt ‘van Dammetje?’


Jan Paauw

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Jan Paauw verantwoordelijk voor de portefeuille tuinbouw. Dit combineert hij met zijn baan bij de buitendienst van GMN, een adviserings- en verkoopbedrijf aan telers.

Gezocht ontwikkelruimte voor de trotse jonge boer

Het provinciehuis in Brabant liep de laatste weken vol met boeren. Boze boeren. En terecht. Waar de provincie Brabant de laatste jaren voorop loopt in regelgeving over het verduurzamen van (intensieve)veehouderij, wordt nu een volgende stap gezet. Deze stap maakt het voor agrarisch ondernemers in Brabant moeilijker. Afspraken over het verminderen van emissies vanuit stallen worden in de nieuwe plannen namelijk naar voren gehaald. Ze gaan in 2022 in plaats van 2028 in. Ook is het niet meer toegestaan om intern salderen toe te passen. Hierdoor moeten boeren eerder investeren in nieuwe technieken en zal opnieuw de afweging gemaakt moeten worden of de investering nog haalbaar is voor oudere stallen. Waar deze stallen anders tot 2028 afgeschreven konden worden, om daarna te stoppen of nieuw te bouwen, zullen de Brabantse boeren deze keuze nu jaren eerder moeten maken, met alle ingrijpende gevolgen die daar bij horen.

Tijdens het provincialen staten debat van 27 juni hebben veel (jonge)boeren inspraak gegeven. Vele schrijnende verhalen kwamen hierbij naar boven, zowel voor individuele bedrijven als op sectorniveau. In de weken voorafgaand aan het provinciale staten debat van 23 juni is er door jonge boeren in Brabant een actie opgezet. Doormiddel van filmpjes op facebook straalde zij hun trots voor de sector uit en vroegen de provinciale staten begrip te hebben voor hun situatie en ruimte te bieden voor de toekomst. Wanneer ik jonge boeren spreek over de verduurzaming van hun bedrijven, dan zijn zij hier allen op hun eigen manier mee bezig. Het is dan ook nooit zo dat zij ontkennen dat verduurzaming nodig is of dat zij niet inzien met welke vraagstukken zij in de nabije toekomst te maken zullen krijgen. Boeren kennen hun verantwoordelijkheden en zijn zich bewust van wat er moet gebeuren om als sector bestaansrecht te houden. Echter, zij moeten wel de kans krijgen om in haalbare termijnen deze investeringen te kunnen doen.

In deze tijd, waarin het moeilijk is om het ouderlijk bedrijf over te nemen, wordt het voor velen met de nieuwe regels zelfs onmogelijk gemaakt. Neem bijvoorbeeld het salderen. Om een nieuwe stal te mogen bouwen, moet er elders dezelfde aantal m2 +10% stal gesloopt worden. Dit zet een enorme rem op innovatie en verduurzaming omdat er simpelweg geen geld meer voor is. Bedrijfsovername zal hierdoor waarschijnlijk noodgedwongen moeten worden uitgesteld of in sommige gevallen afgesteld omdat deze investeringen niet haalbaar blijken.

Mijn boodschap luidt dus hetzelfde als die van vele jonge Brabantse boeren Provinciale Staten geef ons de tijd en ruimte om onze bedrijven te verduurzamen en door te ontwikkelen. Houd rekening met ons, nu en in de toekomst!

En voor ons als jonge boeren geldt, laat zien waar je voor staat. Al onze bedrijven mogen gezien worden en moeten het bestaansrecht voor de toekomst kunnen verdienen. Straal trots, passie voor het vak en lef uit want dat is wat wij als jonge agrariërs nodig hebben voor de toekomst!


Stijn Derks

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Stijn Derks verantwoordelijk voor de portefeuille intensief. Stijn combineert deze functie met het werk op het pluimvee- en akkerbouwbedrijf.

Klimaathysterie

Heb jij vandaag al naar buiten gekeken? Er heerst op dit moment een flinke klimaathysterie, dat heb je ongetwijfeld gezien. Deze angst wordt met name gevoed doordat recent de excentrieke Donald Trump uit het klimaatakkoord is gestapt. Ook de melkveehouderij gaat niet ontkomen aan verregaande maatregelen. Zeker nu tijdens de kabinetsformatie en de verkiezingen klimaat een hot topic is geworden. Wat dit precies betekent voor de melkveehouderij weet niemand exact. Ik voorzie: het fosfaatrechtendebat is peanuts in vergelijking tot de CO2 discussie, die komen gaat!

Jaarlijks 30 tot 140 miljoen euro is ‘acceptabel’

Er zijn al wel een aantal zaken bekent zoals dat niet-ETS sectoren een taakstelling hebben van 36% reductie in 2030 ten opzichte van 2005. De zuivelsector is ingedeeld bij de niet-ETS sectoren samen met bijvoorbeeld transport, gebouwen, afval en een deel van de industrie. Het is dus nog niet zeker of landbouw 36% terug moet of dat ze een stapje extra mag doen van Den Haag. Net als in de melkveehouderij huurt de overheid voor ‘moeilijke dingen’ een adviesbureautje in. Recent heeft het PBL en de ECN een dik adviesrapport opgesteld. Dit rapport wordt op dit moment gezien als het belangrijkste adviesrapport voor dit beleidsthema. De overheid vind het belangrijk dat beleid haalbaar en betaalbaar is. Je kunt immers een euro maar één keer uitgeven. De maatregelen kosten tussen de 30 tot 140 miljoen per jaar! Dijksma noemde de kosten van de verschillende pakketten ‘acceptabel’. De portemonnee van Dijksma zal er ongetwijfeld anders uit zien dan die van mij, maar het klinkt mij toch wat veel.

Hans heeft een oplossing

Als ik het rapport lees maak ik mij zorgen. Ik verwacht dat de melkveehouderij het kind van de CO2-rekening gaat worden. Zeker als de overheid kijkt naar het criterium haalbaar en betaalbaar. Het zou zo maar kunnen dat de overheid een extra reductie via de landbouw probeert te realiseren. Gelukkig roept Hans Huijbers al een tijdje dat boeren een oplossing hebben. Hij verwijst dan naar de bodem, door het organische-stofgehalte te laten stijgen slaan we permanent koolstof op. Hans heeft gelijk. Het potentieel kan enorm zijn. Volgens het CLM en LBI kan een jaarlijkse verhoging van het organische-stofgehalte met 0,1% in de bovenste 50 cm een vastlegging van ca. 14 ton CO2/ha betekenen. Indien dit lukt op een kwart van het grasland (10 ha), wordt er ca. 140 ton CO2 vastgelegd. Dit is 33% van de totale broeikasgasemissie van een melkveebedrijf. Maar helaas het rapport van het PBL en ECN kent deze studie waarschijnlijk niet. Ze verwachten namelijk op de korte termijn geen reductie van CO2 door vastlegging in de bodem. Misschien op de lange termijn?

Iedereen een mest-vergisser

Gelukkig heeft het rapport van het PBL en ECN ook goed nieuws voor de melkveehouderij: door mestvergisting kan er op korte termijn een groot gedeelte van onze reductie worden behaald. Binnen enkele jaren haalbaar en goed betaalbaar volgens de onderzoekers. Ook Roelof Joosten ziet wel iets in de productie van ‘groengas’. Hij riep het vorige week tijdens de opening van een nieuwe vergistingsinstallatie in Beltrum. Het liefste ziet hij op ieder melkveebedrijf in de toekomst een vergister voor de productie van Biogas. Ik denk dat het Jumpstart-traject een hele dure vergissing is. Bodemkundig en qua imago heb ik grote vraagtekens. Daarnaast kan Biogas nooit de concurrentie aan zonder de bakken subsidie die het kost. Ik denk dat de 150 miljoen SDE-subsidie, die bestemd is voor Jumpstart, beter besteed kan worden aan degelijk beleid. Beleid waarbij de bodem het vertrekpunt is. Een gezonde bodem die organisch stof opbouwt daar heeft de volgende generatie ten minste wel wat aan!


Bart van der Hoog

Binnen het dagelijks bestuur van NAJK is Bart van der Hoog verantwoordelijk voor de portefeuille melkveehouderij. Bart combineert deze functie met het werk op het melkveebedrijf in Enspijk.